zondag 3 februari 2019

Geheimen van het BIOSOFISCH INSTITUUT


Het Biosofisch Instituut is een fictieve organisatie in het werk van de Nederlandse sciencefiction- en fantasyschrijver Jan J.B. Kuipers. Het Biosofisch Instituut, een organisatie van zowel wetenschappelijk als levensbeschouwelijk karakter, is een terugkerende factor in veel van zijn verhalen, hoewel de exacte doeleinden van deze instelling duister blijven.


door W. de Vreede*

Het Biosofisch Instituut (BI) was ooit verspreid over heel Europa en het Amerikaanse continent. Het verdwijnen van de laatste vestiging in Wenen was te wijten aan een recente moderniseringsdrang van de Donaumetropool. Kuipers (2009):

Een van de publicaties waarin het Biosofisch
Instituut een rol speelt.**
“Met het zwichten van het laatste traditionele koffiehuis voor de terreur van trendy cafés en ‘exclusieve’ winkels verdween, ergens tussen het Sissimuseum en de Ringstraat, óók de laatste Instituutsgevel met zijn kenmerkende geblindeerde ramen en roetzwarte gevel.”

De oorsprong van het Instituut moet worden gezocht in de negentiende-eeuwse smeltkroes van revolutionaire en exotisch-spirituele bewegingen. Aangenomen wordt dat de stamvaders van het Instituut teleurgestelde Utopisten waren, die uiteindelijk in theosofische kring verzeilden. Daaruit verstoten wegens een poging tot ‘parallellisatie’ van Madame H.P. Blavatsky, een proces dat een letterlijk ‘nabouwen’ en animatie met behulp van elektrochemische infusie scheen in te houden, kwamen de vroege biosofen in contact met propagandisten van de eveneens zeer jonge eugenetica, waarna het eigenlijke Biosofisch Instituut werd gesticht.

Verspreiding

Na de eeuwwisseling had het Biosofisch Instituut zich genesteld in de meeste Europese staten en in de grote steden van Noord-Amerika, van waaruit het zich ook verspreidde over het zuidelijk deel van dat continent. De zwart of antracietgrijs gesausde gevels van de BI-vestigingen bevonden zich doorgaans net buiten de stadscentra. Ze behoorden tot gerieflijke panden op onopvallende locaties, maar wel vlak bij het kloppend hart van cultuur, wetenschap en economie.

Neergang


De neergang begon in de jaren dertig van de twintigste eeuw. De nazi’s sloten alle vestigingen in het door hen gecontroleerde gebied omdat zij het BI te ‘kosmopolitisch’ en ‘maçonniek’ achtten. In Noord-Amerika kwam het internationaal actieve en tegelijk uiterst discrete Instituut in een slechte reuk te staan omdat men het aanzag voor een communistische mantelorganisatie.

Een verloren leer


De biosofische leer van het Instituut is nooit op grote schaal bekend of zelfs maar duidelijk geworden, ondanks de vuistdikke (en intussen onvindbare) monografie Biosophie gegen Bedeutungslosigkeit van Rudolf Immuabel. Unieke BI-documenten gingen naar verluidt verloren bij de instorting van het Keulse stadsarchief in 2009. Het diverse malen aangekondigde Handboek voor de Inclusieve Representatie zou onthullende nieuwe gegevens over het Instituut bevatten. Bijvoorbeeld dat het bezig zou zijn de eigen sporen uit te wissen door middel van een strategie van ‘fictionalisering’ van de Instituutshistorie.

'Reële' filosofie


De term biosofie duidt 'levenswijsheid' aan, maar speelt ook een geringe rol in de reële filosofie. Zo baseerde de Oostenrijks-Hongaarse auteur Friedrich Kettner (1886-1957) zijn eigen biosofie op het werk van Spinoza. Hij stichtte in de VS werkelijk een Biosophical Institute. En de Duitse filosoof Peter Sloterdijk schreef in Sphären III: Schäume. Plurale Sphärologie (2004) dat de filosofie zich ‘moet omvormen tot biosofie’.

Literatuur


- Jan J.B. Kuipers, ‘Biosofisch Instituut’. In: Universele Almanak van Onwaarschijnlijke Oorden en Wonderlijke Bestemmingen. Themanr. Wonderwaan 10, juni 2009.
- ‘Aantekeningen’ (bij ‘Gestalte op de heuvel’). In: Jan J.B. Kuipers, Houten Trouw (Mechelen 2018), 236-238.

* Opgenomen op verzoek van W. de Vreede. Een lemma van zijn hand over dit onderwerp op de online-encyclopedie Wikipedia bleek te zijn verwijderd op verzoek van een vrijwilliger aldaar met het pseudoniem 'Queeste'. De Vreede: "Terwijl er een lijst met ca. 50 andere fictieve organisaties op die site staat, allemaal 'verzinsels van schrijvers' (dat was het bezwaar)." Mijn (JK's) reactie: "Ik ben blij met alle aandacht voor aspecten van mijn werk, maar we kunnen deze manoeuvre zien als weer een stap in het proces van fictionalisering van de Instituutshistorie. De cirkel blijft rond."

** Gestalte op de heuvel:  opgenomen in Jan J.B. Kuipers, Houten Trouw, pag. 10-35 en ook separaat verschenen als e-boek.

HET RAAM, een winterverrassing van Ballustrada




Voorafgaand aan het reguliere dubbelnummer van Ballustrada dat 28 april 2019 zal verschijnen, ontvangen de abonnees deze week een extra nummer van het tijdschrift. Deze Ballustrada-Extra (16 pagina’s) is een winterverrassing in de vorm van de Nederlandse vertaling die redactielid Johan Everaers maakte van de novelle La Fenêtre.


Het Raam, een verhaal over drie bedlegerige mannen in één kamer, is een van de negen korte verhalen uit Délicieuses frayeurs, dat in 2006 verscheen bij Uitgeverij Le Dilettante in Parijs.

De auteur van La Fenêtre, MAURICE PONS, werd geboren in Straatsburg in 1927 en overleed in 2016. Pons is geen veelschrijver: een tiental titels in bijna veertig jaar tijd. Maar het zijn wél titels die indruk hebben gemaakt, boeken die de lezer niet vergeet.

In 1960 ondertekende Pons net als bijvoorbeeld Simone de Beauvoir, André Breton, Marguerite Duras en François Truffaut het Manifest van de 121, een verklaring waarin 121 intellectuelen o.a. pleitten voor het recht om dienst te weigeren in de Algerijnse oorlog. Het was tevens een protest tegen het kolonialisme. Maurice Pons publiceerde in datzelfde jaar Le Passager de la nuit, dat evenals zijn cultroman Les saisons door Uitgeverij Vleugels in vertaling is uitgebracht.

Ballustrada, redactie: André van der Veeke, Jan J.B. Kuipers, Johan Everaers.

Contact: avdveeke@zeelandnet.nl, tel. 06-57675504
Losse dubbelnummers (ongeveer 100 pagina’s): € 12,50
Jaarabonnement: € 20,00


zondag 13 januari 2019

Lovecraft in de polder... en in Middelburg

Onlangs verscheen bij EdgeZero Lovecraft in de polder, een verhalenbundel van Nederlandstalige auteurs, met werk gebaseerd op de Cthulhu-mythos (H.P. Lovecraft) en het King in Yellow-thema (Robert W. Chambers). De door Mike Jansen samengestelde bundel bevat ook een verhaal van mij binnen de laatstgenoemde traditie. Het speelt zich af in de Zeeuwse hoofdstad Middelburg omstreeks 1895: 'Een man van zijn woord', pag. 213-221.


Een belangrijke rol is toebedeeld aan een apotheek aan de Pottenmarkt die werkelijk heeft bestaan. En ook aan zijn eigenaar Van der Harst, die door mij wat in de tijd achteruit is geschoven en getransformeerd tot een sinistere avatar van... maar hiervoor moet het verhaal zelf worden gelezen.

Want wat heeft het dommelende Middelburg van rond 1895 te maken met de huiveringwekkende sterrenstad Carcosa, door Chambers weer op oneigenlijke wijze uit het werk van Ambrose Bierce getild? En op welke manier is de cultus van Hyas en zijn Wenende Zusters, die al eerder in mijn werk opdook, hier geïntegreerd in de King in Yellow-traditie?


Bestel HIER uw exemplaar



Ook de stad Middelburg zelf treedt als 'persona' voor het voetlicht:

"Middelburg, een vergeten provinciestad, terend op haar glorieuze verleden
met mondiale handelsconnecties in Oost en West, haar pakhuizen,
Oost-Indische werf en haar slavenhandel. Een stad waar een
legertje ambtenaren en een fossiele geboorteadel zichzelf en vooral
anderen onderverdeelden in tientallen minieme echelons en kasten, in
personen en groepjes waarmee je in contact moest zien te komen en te
blijven, of van wie men zich juist verre diende te houden. Een stad waar
de vergane patriciërsglorie zich op een steenworp afstand bevond van
de bitterste, vunzigste armoede. Waar de eeuwenoude gevels zich,
cliché of niet, aan hun kaaien spiegelden in het stille water van havens
waar alleen nog nederige beurtschepen en stoomveerboten aanmeerden.
Een stad waar alle modernisering was gestrand en mislukt.
Behalve het kanaal en het spoor. Ja, ook het spoor had Middelburg
bereikt en mij in een alweer grijs verleden hierheen gevoerd. Sinds
mijn vestiging had ik, ook in mijn dromen, ontelbare keren gedwaald
door die oude stad met haar herfstige pleinen en weekmarkt vol
opgetutte boerenfamilies, en vooral door haar ruim voorhanden
gribussen en steegjes die naar niets dan zichzelf leken te voeren.
Buurten en stegen die ook voor het waakbewustzijn iets droomachtigs
hadden."
Uitgeversinformatie:

Ondanks klimaatdoem, nucleaire dreiging, dodelijke pandemieën, een polariserende wereld, een nieuwe ijstijd, grijs nanosnot, de meteoor die een einde aan alles zal maken en nog duizend-en-een dagelijkse beslommeringen, blijven de inwoners van de Lage Landen nuchter en bedaard. Zij weten immers dat de Oude Goden uit de zee zullen oprijzen om hun rechtmatige plek als heersers van het universum weer in te nemen. Dan, ja dan, is er genoeg om je druk over te maken. Tenminste, als je dan nog leeft en bij zinnen bent…

IJzingwekkende verhalen van de topvertellers van Nederlandse Sciencefiction-, Fantasy- en Horrorverhalen.


- Robert W. Chambers op American literature - 

zaterdag 12 januari 2019

'MIJ KRIJGEN ZE NIET...' Everaers over Cravan

Nummer 4, de recent verschenen aflevering van jaargang 22 van LESKIMO de Ziericsée onder redactie van Ever Arts is gewijd aan dichter, provocateur, bokser Arthur Cravan. Cravan alias Fabian Avenarius Lloyd verdween honderd jaar geleden in september 1918 voorgoed tijdens een tochtje met een zeilboot op de Stille Oceaan vanuit Mexico. Hoewel er daarna tot op de dag van vandaag verhalen worden geschreven over zijn aanwezigheid op diverse plaatsen op aarde is daarvan nooit enig bewijs geleverd.


Grafiek: Jan Verschoore
In het eenmanstijdschrift Leskimo wordt naast informatie over Cravan een overzicht gegeven van de diverse artikelen die Johan Everaers sinds 2004 over de dichter publiceerde in Ballustrada, Leskimo en Action Poétique.

'Mij krijgen ze niet', de titel van deze Leskimo, is ontleend aan On ne me fait pas marcher, een uitspraak van Cravan, die niet van plan was als soldaat deel te nemen aan de Grote Oorlog (1914-1918).
Het bracht hem op zijn vlucht achtereenvolgens naar de Verenigde Staten, Canada en Mexico.

Grafiek


Artstamps en andere grafiek die beeldend kunstenaar Jan Verschoore bij de publicaties maakte over Arthur Cravan zijn eveneens opgenomen in deze aflevering van Leskimo.

Voor nadere informatie: everarts@zeelandnet.nl

Informatie over Ballustrada hier.


Grafiek: Jan Verschoore.

zondag 23 december 2018

Kerstmis in en buiten de bossen

Mede namens KAREL EN DE BOSWACHTERS wens ik allen plezierige Kerstdagen en een voorspoedig 2019. Aan de surreële Boswachterskerstclip 'KerstMIS in de bossen' zal het niet liggen:




Laat ook uw feestje, evenement of kroegavond opluisteren door een optreden van KAREL EN DE BOSWACHTERS met schrijnende smartlappen, oud-vaderlandse hits en over-de-top-feestliederen, leed en lief, smart en  smeuïgheid, covers en eigen werk. Spelen en zingen ze vals? Naar verluidt alleen als u daarom vraagt. Info voor boekingen na januari 2019:

BjjbkuipersB@hotmail.com of Bdecreet@Bzeelandnet.nl (B's weghalen). 


V.l.n.r. Karel Leeftink, Jan Kuipers, Frank Beerens, (zittend) Ramon de Nennie

zondag 9 december 2018

Waar was het grote plan? Nog één keer Vincent van der Linden

Vrijdag 24 augustus 2012: in de trein na een dagje zonnig Delft en, het valt niet te ontkennen, een studiebezoek aan het Legermuseum aldaar. Op mijn telefoon verschijnt een emailbericht van Remco Meisner naar aanleiding van een oude tekst van mij, die als ‘nawoord’ moet fungeren in een nieuw deeltje van zijn Rare Boekjes Reeks: De kat in het donker. Nu blijkt dat de auteur van dat boekje, Vincent van der Linden, ernstig ziek is en dat er daarom haast moet worden gemaakt. 



door Jan J.B. Kuipers (uit: Holland SF 46(2012 [2013])4, 19-21)

‘Wat is er met Vincent? De een na de ander,’ mail ik terug; een halve minuut later gaat de telefoon. Remco Meisner. ‘Hij is erg ziek, heeft leukemie en ook nog Hodgkin. Men verwacht dat hij nog ongeveer één of twee maanden te leven heeft. Daarom maak ik vaart en geef nu als een haas allerlei boekjes van hem uit.’ 
Een week later, 1 september, overlijdt Vincent van der Linden.

Hotel Cocagne, Eindhoven, najaar 1983. In een gang van dit labyrintische luilekkerland loop ik voor het eerst van mijn leven Van der Linden tegen het lijf: vrij kleine gestalte, bril, breed uitstaand, ietwat krullerig haar. Type verstrooide intellectueel. Dit is dus de redacteur van Ganymedes, het jaarboek waarin mijn broer Gert en ik sinds 1979 korte verhalen publiceren. We maken kort en ongemakkelijk kennis.

Later, rondom de plechtigheid van de King Kong Award die mijn broer en ik met onze aanhang komen ophalen, vloeit er zoals gebruikelijk bij de samenkomsten van deze broers een ruime hoeveelheid bier en doemen er als vanzelf andere figuren op die ik voortaan éénmaal per jaar op conventies zal ontmoeten (mijn broer houdt het na één keer voor gezien): Rob Vooren, Peter Cuijpers, het financieel KK-genie Jan Veldhoen en vele anderen. Zoals Paul van Leeuwenkamp, Roelof Goudriaan, Annemarie van Ewyck, Leo Kindt, JoJo en andere vaste typen van wie ik sommigen echter pas een jaar of wat nadien voor het eerst ontmoet. Gemeenschappelijk kenmerk van het eerstgenoemde groepje is echter: veel aandacht voor de bar, (te?) weinig voor de programmaonderdelen. 

In: Holland SF 2012 nr. 3
Die conventies worden voor Heleen (‘Ik heb nog nooit een SF-boek gelezen’) en mij gedurende enige jaren reünies, die in de nocturnale uitloop van room parties en toevalsconferenties in hallen en gangen steevast transformeren tot vage en veel te donkere films vol kreten, bizarre ontmoetingen, zwaaiende armen, ontboezemingen en beweringen, zo far out dat niemand ze de volgende dag nog kan reproduceren.

Welke tiener?


Wat de door Rob Vooren ooit verzonnen King Kong Award betreft: aan de bar van Cocagne zit ook de maker van de trofee voor 1983, Karel Thole (1994-2000), de dan allang in Italië woonachtige tekenaar, illustrator, schilder, vormgever en boekontwerper van internationale faam en betekenis. Mijn broer bekijkt Thole’s bij de uitreiking overhandigde gouache, legt hem op de toog en zegt: ‘Welke tiener heeft dit gemaakt?’

Thole zéér gepikeerd. Enige verzachtende rondjes volgen, maar echt goed komt het niet meer. ’s Nachts neem ik het kunstwerk mee naar huis. Enkele jaren later begint het op te krullen: de Grote Aap die de Vrouw omklemt, geheel volgens de iconografische traditie, schijnt haar in zijn schoot te willen duwen in plaats van andersom. La belle et la bête, de apotheose van de hoofse omkering dankzij het versagen van een stuk karton.


Zelfonderschatting


Vincent slaapt meer en meer, zegt Remco door de telefoon, maar is verder goed gemutst. Een e-mailtje of zo zal hij op prijs stellen. Gehoorzaam voldoe ik spoedig aan dat verzoek. Vermoedelijk krijg ik daarom zijn rouwkaart in de bus, want het vroegere contact is omstreeks de helft van de jaren negentig verloren gegaan. Tot ik op 3 mei 2011 ineens een e-mail van Vincent ontvang:

"Dag Jan! Het zal jou wellicht nog meer verbazen dan mij, een brief van mij te krijgen, maar ieder verschijnsel heeft een oorzaak, zoals sommigen beweren, dus lees nog even verder. In je laatste brief heb je me er zo scherpzinnig op gewezen, dat je liever lui dan moe bent, en ik had er geen moeite mee dat verschijnsel in mezelf te herkennen. Om je geheugen op te frissen, ik had een verzameling opgezet van artikelen van een zogenaamde dominee Wintner, met commentaar van ondergetekende, en jij was zo vriendelijk geweest, daar een voorwoordje voor te schrijven. Maar door mijn vermoeidheid, of door mijn luiheid, is daar verder niks van gekomen, en ik dacht al rustig te kunnen sterven, maar nee, daar ging opeens de telefoon en wie hing er aan de andere kant van de lijn?... Nee, het was Remco Meisner. Van het een kwam het ander en toen ging het opeens over zijn Rare Boekjes en zou hij mijn verzameling alsnog in het licht geven."

In HSF 2012 nr. 3 is door verschillende contribuanten al heel wat gezegd over de mentaliteit en kennelijke zelfonderschatting van Vincent van der Linden. Een evidente uiting van het laatstgenoemde is volgens mij het feit dat hij zijn pseudoniem Thomas Wintner, verbonden aan zeer goed werk als Motel Valhalla, óók in fanzines opvoerde als personage: als knoeiende, geile en frauduleuze predikant in veelal fictionele gemeenten als Oelenbeek, Uif, Ulkenskerkerbroek en Boerenhol (pas op – die buurtschap bestaat wél!). Kolderproza is het, bijna studentikoos, bij uitstek passend in waanzinnige fanzines als King Kong SF en Fantastische Vertellingen.

In Voorheen King Kong sf afl. 1, 1996 (opvolger van KKSF en op zijn beurt even kortstondig opgevolgd door Vooren’s Magazijn) verscheen mijn van kluchtig gelegenheidsjargon topzware bijdrage ‘Anale meting en het Rijk van het Licht. Tom G. Wintners handel en wandel in godsdienstfenomenologisch perspectief’, op verzoek van Vincent eind 1995 geschreven voor het toen al op stapel staande De kat in het donker.

En nu, mei 2011, meldt hij op de gebruikelijke ironische wijze over de uiteindelijke realisering van het boekje:
"Dit was alles wat ik nog te wensen had, want al die software is met één druk op de knop verdwenen, maar als er hier en daar over de wereld honderd gedrukte teksten verspreid zijn, dan blijft er ergens op een zolder nog wel eentje liggen – en wees nou eens eerlijk, wil jij niet onsterfelijk zijn? (…) O, ik vergeet even dat jij al onsterfelijk bent. Ik heb je e-mailadres gevonden op het internet en kreeg meteen te zien dat jij al 45 boeken op je naam hebt; jij bent niet meer kapot te krijgen. Ik met mijn vijftal, dat zelfs nooit van De Slegte gehoord heeft! Hartelijke groeten, Vincent".
De aloude beminnelijkheid, met daaronder een rotsbodem vol vlijmscherpe uitsteeksels.
Was hij toen al ziek? De uitwisseling van e-mails wordt enige tijd voortgezet, mede omdat ik vraag naar het tekstbestand van mijn oude bijdrage. Vincent:
"Ik moet eerlijk zeggen dat ik niet goed wist wat ik zag toen ik het herlas, want ik dacht dat ik wel een paar vreemde woorden kende, maar zelfs met de dikste Van Dale in de hand vraag ik me af of ik (over twee weken 77) toch geen Alzenberger heb. Ik moest even denken aan Luc de Vos, die mij altijd met zijn rijkdom aan moeilijke, of wellicht niet-bestaande woorden om de oren sloeg. Maar ik moet aannemen dat er op het ogenblik nog mensen bestaan, die met enige moeite kunnen begrijpen wat je indertijd bedoelde te zeggen. Vroeg of laat komt er iemand glossen bij schrijven en dan hebben wetenschappers er misschien nog iets aan. Mij rest alleen trots dat je je naam en faam hebt willen verbinden aan de abjecte schrijfsels van mij en de dominee."
Vriendelijkheid, vriendelijkheid. Plus misplaatste, of ook ironisch bedoelde (?) zelfonderschatting.
‘Naam en faam’… Ik beschouw mezelf als ambachtsman, als een door een schrijfobsessie voortgedreven letterturk, zoals men in pre-multiculturele tijden zo treffend zei. Al die genres en stijlen, overal geweest en nergens thuis. En nu, op oudere leeftijd, zit ik zelf soms te peinzen waarom er zo weinig doelgerichtheid in al die projecten en activiteiten zat. Waar was het grote plan? Ik herken je lichte ontgoocheling terdege, Vincent van der Linden. En ook de min of meer nihilistische onverschilligheid – of zelfs opgeruimdheid - die ermee gepaard ging. Want er is natuurlijk een lijn, uitgeworpen door een dronken matroos of niet.

Mythograaf


Natuurlijk vraag ik ook naar Vincents raadselachtige project van de ‘mythograaf’: een verhalenautomaat die na invoer van bepaalde ingrediënten en variabelen geheel zelfstandig vertellingen construeert een uitbraakt: een typische fantasie uit de aanloopperiode van het digitale tijdperk. 
Het antwoord komt snel:
"Van de Mythograaf is uiteindelijk niets terechtgekomen, omdat die steeds tendeerde naar verfijning en uitbreiding (personages, gesprekken, weersomstandigheden, natuursituaties, enz.), en het frappante idee alleen tot leven zou kunnen komen met een degelijk team van nerds. Toen ben ik overgegaan tot een ‘gesprekprogramma’ in de geest van Eliza, Azile genaamd, dat inderdaad werkt, maar zo armoedig is dat ook hier weer een team voor nodig zou zijn. Waarom heeft niemand zo’n programma ooit gemaakt? Moet heel goed mogelijk zijn, als je er een beetje tijd, geld en man/vrouwkracht in stopt. Of een doorzettingsvermogen hebt dat hier in huis niet te vinden is, al heb ik er een hele tijd naar gezocht."
De digitale conversatie met Vincent komt tot een vrij abrupt einde. Aanleiding: Hedy d’Ancona. Men weet wel: de PvdA-politica, staatsvrouw en feministe die in haar vrije tijd ook het sadomasochisme aanprees en een voormalig fractiegenote in het Europees Parlement er met haar handtas van langs gaf. In een – nu helaas onvindbare – e-mail noemt Vincent haar en ik vraag schertsend wie zij toch kan zijn, en welke greep ze op iedereen had? Waarop een serieus antwoord volgt. Mijn mededeling dat het een grapje betrof ontlokt dan een scherpe reactie: nee, hoe hád hij ook kunnen denken dat ik Hedy d’Ancona niet kende, duizend maal excuus! Het zou nooit meer voorkomen!

Ik lees dit mailtje op het terras van de Mattemburgh, een uiterst aangename buitenplaats annex horeca-etablissement bij Bergen op Zoom. Ik kijk naar de boomtoppen en besluit in een opwelling te antwoorden met een keurige lijst van de consumpties die ik die dag heb genuttigd.

Het wordt weer stil. Maar De kat in het donker verschijnt toch in 2012, met mijn als voorwoord geplaatste nawoord, en te midden van meer en behartenswaardiger oud en nieuw werk van Vincent van der Linden alias Thomas Wintner.

In zijn op 2 september 2012 door zijn vriendin Nely Formsma verstuurde collectieve afscheidsmail meldt Van der Linden: ‘Intussen mijn excuses tegenover iedereen die ik op de tenen heb gestaan of anderszins gekwetst, beledigd of verwaarloosd heb -- terecht of ten onrechte -- maar daar is nu niks meer aan te doen, en het zal niet meer gebeuren!’

‘Terecht of ten onrechte’. Nog één keer de grijnslach van de oude, ongrijpbare vos, en dat is jammer – dat het de laatste keer was, bedoel ik.

* Jongste verhalenbundel Houten trouw van Jan J.B. Kuipers *

zondag 2 december 2018

De doemsteen van Kom Ombo

Onlangs verscheen een nieuw spannend avontuur in de reeks e-boekjes door Jan J.B. Kuipers: De doemsteen van Kom Ombo. Hoofdpersonage is Emily Stackleton. Aan boord van het stoomschip 'Conrad', onderweg van Egypte naar Engeland, raakt Emily in groot gevaar. Alles draait om een geelgroene steen in de vorm van een amulet. Hoe zal Emily ontkomen aan de vloek van de doemsteen van Kom Ombo? Voor lezers vanaf ongeveer 10 jaar.




Emily reist met haar vader en haar gouvernante terug naar Engeland na een Egyptische reis. Het jaar is 1902. Aan boord van het stoomschip 'Conrad' bevinden zich vreemde gasten. Zoals de Duitse professor Henkel en de geheimzinnige Egyptenaar Gamal Zaghloel. En iedereen zit achter één ding aan: die geelgroene steen of amulet in de vorm van een krokodil... Emily raakt hierdoor in groot gevaar. Hoe zal ze ontkomen? Hoe raken ze verlost van de sinistere doemsteen van Kom Ombo?


* Prijs $2.45 USD, 15 procent gratis te downloaden! *

Download en bestel HIER.

**


De Egyptische god Sobek speelt een rol in dit verhaal. Lees HIER meer over hem.