vrijdag 15 juni 2018

De gestolen mantel van Onze-Lieve-Vrouw in het Kinderbed

Op 29 mei 2018 publiceerde ik een bijdrage op Zeeuwse Ankers over Verdronken vroomheid in Hinkelenoord (Verdronken Land van Zuid-Beveland). Hierbij kwam ook een specifieke devotie ter sprake in het nabije Reimerswaal, Zeelands bekendste verdronken stad. In 1484 en 1494 vernemen we daar van ‘O.L. Vrouw Kinderbedde’, een speciale verering van de moeder van Jezus in het kraambed, die in de zestiende eeuw door het Concilie van Trente is afgeschaft.


Hinkelenoord (omcirkeld) op een kaart uit ca. 1545.


Beeldenstorm


Van Onze-Lieve-Vrouw in het Kinderbed had ik tot dusver maar weinig vernomen. Verwante of identieke onderwerpen dienen zich in korte tijd vaak meerdere malen aan. Nog geen twee weken na de post op Zeeuwse Ankers gidste ik voor de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland een gezelschap Vlamingen langs elementen van de Staats-Spaanse Linies in West Zeeuws-Vlaanderen. In mijn dankpakketje zat het boek Te triest om 't al te vernemen. Beeldenstorm in Gent 1566. Het ooggetuigeverslag van Marcus van Vaernewijck. Deze uitgave van de Stad Gent i.s.m. Uitgeverij Snoeck (2016) bevat een hertaling door Joris De Zutter van de kroniek van deze Gentse patriciër. Van Vaernewijck verschijnt ook ten tonele in mijn eigen recente boek De Beeldenstorm. Van oproer tot Opstand in de Nederlanden bij WalburgPers.


Marcus van Vaernewijck, door Pieter de Jode


Naar beneden gegooid


En ziedaar; in zijn relaas  beschrijft Van Vaernewijck ook de vernieling van de voorstelling van OLV Kinderbedde in de Sint-Niklaaskerk in Gent tijdens de Beeldenstorm in augustus 1566, "een van de grootste catastrofes die onze stad ooit hebben geteisterd", aldus schepen Annlies Storms in het voorwoord van de hertaling. Van Vaernewijck behandelt het onderwerp twee keer. Op pagina 89 van de hertaling:

In de Sint-Niklaaskerk werd ook alles omver gegooid. In deze kerk stond een altaartafel, die Onze-Lieve-Vrouw voorstelde alsof ze in het kinderbed lag, bijna levensgroot, in beschilderd houtsnijwerk. Dit retabel werd door de vrouwen en de kosters versierd met sieraden, bloemenkransen, sluiers van zijde en fijn doek en dat soort dingen. Het kindje Jezus stond achter het bed mooi te blozen. Aan het voeteneinde zat Jozef, zijn hoofd steunend op zijn hand. Tegen deze altaartafel riepen de kinderen: 'Kom daar af, Maaike, je hebt lang genoeg in het kinderbed gelegen en versterkende papjes gegeten, nu moet je verhuizen.'  Ze hebben de altaartafel naar beneden gegooid, samen met de wassen kindjes, armen en benen, die daar aanhingen. Veel mensen betoonden dit retabel een grote devotie, omdat de voorstelling hen zo goed beviel, zodat ze daar ter ere van Onze-Lieve-Vrouw dingen offerden tegen allerhande miserie en gebreken. De altaartafels werden open en bloot langs de straten weggesleept, misschien door sommige personen, die ze wilden redden of die er recht [vanwege private schenking, JK] op hadden.

Inhaligheid


Op pag. 115 van de hertaling komen mogelijke niet-religieuze motieven bij het vernielen van deze 'oude altaartafel' te midden der algemene destructie aan de orde:

Men had de gewoonte Onze-Lieve-Vrouw te bekleden met een kostbare mantel. Die mantel was kort daarvoor gestolen. Men deed navraag waar hij zou kunnen gebleven zijn. Een kerel, een valse praatjesmaker, beweerde dat hij wist aan wie men die vraag moest stellen. Toen men bij hem om verduidelijking kwam, antwoordde hij dat ze het moesten vragen aan de vroedvrouw van Onze-Lieve-Vrouw! Zo bleken het allemaal kwaadwillige verzinsels geweest te zijn. De verering van Maria, waar inhaligheid mee in het spel was (men offerde daar immers graag het eerste garen, dat de meisjes gesponnen hadden en nog meer van dat soort dingen) begon het volk te ergeren en ze begonnen er sarcastisch over te doen.

De pantoffel van Lange Weyn


Dat garen, aldus een noot bij dit hertaalde citaat, werd naderhand kennelijk verkocht, een praktijk waaraan de mensen zich ergerden. Woede omtrent zelfverrijking door geestelijken, aangevuurd door de economische en maatschappelijke miserie van deze jaren, is een zeer frequent motief in het helle weefsel van de Beeldenstorm; zie bijvoorbeeld de vernielingen in de Oude Kerk te Amsterdam - waar Lange Weyn haar beruchte pantoffel gooide -  in De Beeldenstorm. Van oproer tot Opstand in de Nederlanden. In elk geval maakte het fundamentalisme van de Gentse beeldenstormers korte metten met een voorstelling waarvan Rome zelf in Trente al officieel afscheid had genomen.

zondag 27 mei 2018

Let op de duiven! Voorjaarsdubbelnummer 2018 van BALLUSTRADA

Mei 2018 verscheen het dikke voorjaarsdubbelnummer van het zuidwestelijke literaire tijdschrift Ballustrada. In het hieronder geplaatste voorwoord uit het nummer wordt ingegaan op de inhoud.




In dit nummer opmerkelijk veel versleten knieën en laagvliegende postduiven – dat u het maar weet. Gelukkig neemt Job Degenaar in de rubriek Laaglandse Poëzie minder triviale zaken voor zijn rekening: hij laat dichters uitdrukking geven aan hun stadsgevoel. En dat gaat natuurlijk vaak gepaard met een voorkeur voor een bepaalde stad of stadswijk. Willem Roggeman verzorgt Taal Ver Taal. Hij doet dat met een vertaling van gedichten van Gregory Corso, een kopstuk van de beatgeneratie.

Ook tal van ‘losse’ en vaste ‘losse’ dichters geven acte de présence: Hendrik Carette, Stefaan van den Bremt, Kees Engelhart, Jabik Veenbaas, Kees Klok, Arjen van Meijgaard. En Maria Ros debuteert, althans in Ballustrada. Hetzelfde geldt voor Rogier de Jong. Verder volop intrigerend proza van Theo Raats, Paul van Leeuwenkamp, G.P. Kuipers, Johan Everaers, Pieter Drift, Jan J.B. Kuipers, Jan van der Geer, Mia Timiaan, Kees Klok, John Toxopeus, André van der Veeke, Frank Roger.

In het vorige nummer zijn een paar zaken fout gegaan. Bij het gedicht De Rotte van Rien Vroegindeweij vond een naamsverwisseling plaats in strofe 1. In plaats van de Rhône werd de rivier de Rotte vermeld, waardoor de clou van het gedicht een behoorlijke deuk opliep. Rhône dus, met accent circonflexe want anders zou Rien in de tweede versregel wel voor de Wolga hebben gekozen, met alle gevolgen van dien. En bij het gedicht Uit eigen werk van Marcel de Roos werd het laatste couplet weggelaten. Natuurlijk trekken wij het boetekleed aan vanwege dit al te menselijke falen. Beide gedichten zijn daarom opnieuw opgenomen in deze uitgave.

Even speelde de redactie met het idee, om aan ‘waarin opgenomen de Zeeusche Nachtegael’ onder de inhoudsopgave ook ‘en Zeeuws Tijdschrift’ toe te voegen. Om redenen van piëteit jegens onze oude, geliefde rivaal zien we er voorlopig van af.

*


Vormgever Ko de Jonge over zijn project in dit nummer:

"Een onderdeel van mijn installatie ‘Atlas’ voor de tentoonstelling ‘Verhalen’ in ruimteCAESUUR in Middelburg bestond uit versnipperde schilderwerken. Na afloop van de tentoonstelling eind 2016 stuurde ik snippers naar kunstenaars in diverse landen over de hele wereld. Dat betekende de start van een nieuw project met de titel pARTsfromheaven. Het project loopt nog steeds door. Sommige snippers komen terug als onderdeel van nieuwe kunst werken die vervolgens worden getoond in
Ballustrada."

(fragment achteromslag)


In dit nummer zijn de reacties te zien van:
Fernando Aguiar, Portugal; Claudio Grandinetti, Italië; Csaba Pál, Hongarije; Rémi Pénard, Frankrijk; Elaine Rounds, Canada; Stiliachus, Duitsland.

Eerder waren bijdragen te zien van:
Perlette Adler, België | Vizma Bruns, Australië | Chrystobal, België | Anita Couwenbergh, Nederland | Niklas Heed, Zweden || Kurt Heinzelmaier, Oostenrijk | Florian Leibetseder, Oostenrijk | Anne Maesschalk, België | Willie Marlowe, USA | Tina Morris, Verenigd Koninkrijk | Ptrzia Tic Tac, Duitsland | Darko Vulić, Zwitserland.

vrijdag 18 mei 2018

Op 24 mei wandelen door sinister Middelburg


Natuurlijk durven die mariniers niet naar Vlissingen! Wij begrijpen ze helemaal. Het is gewoon een veel te sinister oord. Van kapers en piraten, van wraakzuchtige bouwvakkers en spontane lynchpartijen. En dan hebben die arme mannen nog niet eens over het naburige Middelburg gehoord. Daar is het al helemaal niet pluis. Al die nauwe steegjes vol verhalen. Over dode Franse soldaten, brandende autobanden. Griezelige begijntjes (zie de link hieronder!). En een hoofd, in een bushokje.



Met ons verhalenvertellerscollectief Sinister Zeeland organiseren we ghostwalks door Vlissingen én Middelburg. Alleen voor dappere mensen. En er komt weer een nieuwe kans aan: op donderdagavond 24 mei kun je weer meewandelen in Middelburg om al die verschrikkelijke verhalen aan te horen. Anderhalf uur Leedvermaak en Lamentatie, ook leuk voor een bedrijfsuitje. Alleen niet zo geschikt voor mariniers dus. :)

Benieuwd? Bestel ze snel, die tickets! Voordat het te laat is...






Eigenlijk helemaal geen zin om te wandelen?
Gids Jan J.B. Kuipers heeft een merkwaardige fascinatie voor het medium Powerpoint en vertelt graag zijn verhalen op locatie, in een boeiende lezing. En dat hoeft zeker niet alleen Middelburg te zijn. 90 minuten met pauze tussendoor, prijzen op aanvraag.

Sinister Zeeland verpest deze lente ook weer met veel liefde de sfeer tijdens bedrijfsuitstapjes, familiebijeenkomsten en vrijgezellenfeestjes. In Vlissingen én in Middelburg. Onder andere voor de Rabobank en een vrolijke musicalgroep. Ook een gezellig uitje in de planning? Uw sinistere partyplanner Marloes Matthijssen is altijd bereikbaar voor advies en een offerte via info@sinisterzeeland.nl of 06-12022948.
 

De


De Walcherse Archeologische Dienst deelde een mooi verhaal over deze schedel, die opgegraven is aan de Zuidsingel in Middelburg. Let even op die onderkaak! Lees hier de blog over 'Het Tandeloze Begijntje'. Over de achtergronden van deze vondst hoort u donderdagavond 24 mei in Middelburg als u meewandelt met gids Jan Kuipers.

donderdag 12 april 2018

Oostelijke personages

Het literair periodiek Ballustrada, jaargang 2009, dubbelnummer 1/2, bevatte een door mij samengesteld prozathema 'Ons Oosten', waaraan ik zelf een Ten Geleide en een essay 'Oostelijke personages' bijdroeg. Het laatste volgt hieronder (met wijzigingen in de interlinie). De bijdrage was afl. 7 van de reeks 'De juiste verkeerde verbanden' van dezelfde auteur in Ballustrada.


‘(…) en dat alles droeg de sporen van een zeer bewogen leven dat innerlijk leeg is.’ 
Robert Musil, De man zonder eigenschappen 


De mystieke verlichting – verlossing door suprarationeel inzicht – is een zo verre mijlpaal dat zelfs romanpersonages deze niet weten te bereiken. Weliswaar lukte het bijna bij graaf Aleksej Boelanov, een niet eens secundair, maar in een raamverhaal functionerend karakter in De twaalf stoelen van Ilja Ilf & Jevgeni Petrov (1928). Boelanov, ‘de briljante huzaar’, was ooit de held van aristocratisch Petersburg lezen we, maar deze steenrijke, flamboyante ‘luisterrijke cavalerist en drinkebroer’ verdween plotseling naar de Averkiev-woestijn om er het monnikskleed aan te trekken.

Vignet van 'De juiste verkeerde verbanden'.
Een asceet was geboren. Hij droeg ketenen en ontwierp een speciale dracht: een kap met schuine klep die het aangezicht bedekte en een habijt dat zijn bewegingen beperkte. Maar het was nog niet genoeg: ‘Omgord door trots zocht hij zich een hol in het bos en woonde in een eikenhouten doodkist.’ Boelanov leefde er uitsluitend op de beschuiten die hem eens in de drie maanden werden gebracht. ‘Kalm en blij lag hij in zijn kist en genoot van zijn levenskennis’, zelfs toen de beschuitenbrenger hem had verteld dat de sovjets de macht hadden veroverd en van zijn klooster een sovchoz hadden gemaakt. De gedachten van Boelanov waren zo kalm en transparant geworden dat niets deze nog kon verstoren, zijn grijze baard bedekte al de halve kist.
 
Op zekere dag besefte de graaf dat hij definitief het licht had gezien.
Maar de nacht daarop werd hij plots wakker. Brandend gevoel in zijn rug! Hij keek in zijn kist: ‘in de hoeken van zijn duistere sponde was het een komen en gaan van kersrode wantsen. De kluizenaar werd er misselijk van.’

De satirische romans De twaalf stoelen en Het gouden kalf (1931) maakten Ilf & Petrov tot een zeer beroemd schrijversduo in de Sovjet-Unie. Vreemd genoeg belandden ze niet onder een of ander voorwendsel in de goelag; ondanks hun nauwelijks verhulde kritiek op de sovjetmaatschappij, de ‘Nieuwe Economische Politiek’ respectievelijk ‘het socialisme in opbouw’. Maar eigenlijk staken ze de draak met alles. In die duistere stalinistische jaren kon Ilf in 1937 apolitiek aan tuberculose overlijden, en vond Petrov in 1942 zijn einde bij een vliegtuigongeluk op de Krim, waar hij oorlogsverslaggever was. 

Ilf & Petrov (1932)

Hoofdpersoon in beide boeken is de oplichter Ostap Bender, een onwaarschijnlijk personage van deels Turkse komaf. In De twaalf stoelen, aan het eind waarvan hij sterft, speurt Ostap naar een schat die vóór de Revolutie in één van een identieke set stoelen is verstopt. De lange reizen achter de stoelen aan en de bijbehorende talloze verwikkelingen leiden uiteindelijk tot niets, behalve dan de al genoemde dood van Bender, die door zijn kompaan en slachtoffer de hals wordt afgesneden – een hoedanigheid die in het vervolg Het gouden kalf, een zwakker, maar nog altijd zeer lezenswaardig boek, onmiddellijk ongedaan wordt gemaakt met de mededeling dat Ostap de bekkensnijderij ternauwernood had overleefd. Een flauwe kunstgreep, het absurde sovjetuniversum waardig. 

- Boelanov smeerde heel zijn doodkist, dat vehikel der verlichting door wantsen in bezit genomen, met petroleum in. Na twee maanden bleek dat zelfs dit goedje de wantsen niet kon verdrijven. Ook andere giffen baatten niet, noch het met houtsplinters in brand steken van de beestjes. ‘’s Nachts lag hij wild te woelen en luid te bidden maar die gebeden hielpen nog minder dan de petroleum’. Wat vijfentwintig jaar vasten niet voor elkaar had gekregen was nu een feit: de gezondheid van de kluizenaar ging naar de filistijnen. Na twee jaar strijd tegen de wantsen besefte Boelanov dat hij helemaal niet meer aan de zin van het leven dacht. Dag en nacht werd hij in beslag genomen door het uitroeien van de wantsen. ‘Toen begreep hij plotseling dat hij zich vergist had. Het leven was nog even duister en raadselachtig als vijfentwintig jaar geleden.’ Je kon niet tegelijkertijd met je lijf op aarde en met je ziel in de hemel wonen.

IJlings verliet Boelanov zijn holwoning en stond midden in het donkere, groene bos. ‘Een onbekende vogel zat op een tak en zong een solo. Er denderde een trein voorbij. De grond trilde. Het leven was prachtig. Zonder omzien richtte de wijze zijn schreden voorwaarts. Tegenwoordig werkt hij als koetsier bij het paardendepot van het Moskouse gemeentebedrijf.’

Ergens aan het eind van De twaalf stoelen is Boelanov uit zijn ingeraamde vertelling getreden en ontmoeten we hem in het hoofdverhaal als oude man, zorgelijk prakkiserend over het uitblijven van de al zo lang beloofde uniformpetten – Boelanov, verschrompeld tot verre neef van tijdgenoot Franz Biberkopf uit Berlin Alexanderplatz, die vanaf de andere maatschappelijke pool was gekomen en een ontwikkeling van randfiguur tot kleinburger doormaakte. De graaf en mysticus Boelanov was niet meer. De man uit duizenden werd één van de duizenden, een inwisselbare wiens identiteit huisde in de uniformpet.
Een kameraad.
Zegepraal van het socialisme!

Het merkwaardige is dat personages je des te beter lijken bij te blijven naarmate ze ongrijpbaarder zijn, inconsistenter; wanneer ze onderhevig aan onverklaarbare fluctuaties over het papier snellen als schaduwen. Een personage moet om zich blijvend in je herinnering te nestelen juist fragmentarisch zijn, echoachtig, vervagend – als een geruime tijd geleden gestorvene uit je naaste kring. Als iemand die je misschien tientallen jaren hebt meegemaakt en hebt trachten te doorgronden en die, wegzinkend in het schemerig moeras van je geheugen, niet langer de vertrouwde vreemdeling is die hij of zij altijd al was, maar nu pas werkelijk één van je intimi, want deel van jezelf.

We bouwen onze huizen tegenwoordig op zand; na enkele duizenden jaren geletterdheid hebben we de van alle begroeiing ontdane bergtop bereikt; we ontstegen de laaghangende wolkenbanken met het – al even tijdgebonden? - besef dat de wereld en die stromen van gebeurtenissen daar beneden van elke objectieve betekenis zijn ontbloot.

Dode mus is zeker niet alleen de jachtbuit van de mislukte mysticus die naar ontlediging en het luchtledige streeft, maar ook die van de door cognitieve zwaartekracht geketende, getuige de beroemdste Man zonder eigenschappen, het hoofdpersonage Ulrich in Robert Musils – uiteraard – onvoltooide roman, in delen verschenen in 1930 en 1942. Er wordt in Der Mann ohne Eigenschaften ‘een poging ondernomen de werking van de rede op het spoor te komen door zich juist te begeven op die gebieden waar haar licht niet meer reikt’, schreef Anthony Mertens in De Groene Amsterdammer. Ulrich denkt en peinst aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog dat het een aard heeft, enkele duizenden bladzijden lang. Het vergt toewijding om deze ‘belangrijkste roman van de twintigste eeuw’ tot het niet bestaande einde te verdragen, met zijn onbestaanbare dialogen en naar niets leidende meanders, zijn vaak verschrikkelijke, gedateerde langdradigheid. 

Je hoort het gebint van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie kraken en kraken. En nog eens kraken. Maar in dit door lamlendige indigestie almaar uitdijende corpus bewegen zich loom en exotisch een vaste groep fascinerende maar ongrijpbare personages. Waar Boelanov in zijn kist alleen maar zo optimaal mogelijk wilde zijn, wilde de uitvretende en pedante intellectueel Ulrich zien. Hij en zijn zuster Agathe proberen de wereld te begrijpen – en vooral eindeloos en van steeds wisselende uitgangspunten onder woorden te brengen. Schimmen zijn ze onder schimmen.

Voor een aan de buitenzijde waargenomen man zonder eigenschappen van aanzienlijk plomper en praktischer snit moeten we opnieuw te rade bij de Russische literatuur, uit de premodernistische negentiende eeuw waarin betekenis nog volop voorhanden was, al snoof men al licht verontrust het aroma op van de komende tijden - brisant, mosterdgas, de ballistite van Alfred Nobel, de stank van het cultureel gangreen? Ik doel op het in dit opzicht reukloze karakter Iwan Iwanytsj in Gontsjarows Oblomov (1859), de roman rond het gelijknamige personage dat we wel de man met één eigenschap kunnen noemen – een volledig negatieve eigenschap. 

Gontsjarov
Want Oblomov is bij uitstek de Man zonder Wil, de man die zijn leven grotendeels liggend doorbrengt. En Iwan Iwanytsj is een van degenen die hem voortdurend storen in zijn inertie, iemand met een nietszeggend uiterlijk en een bijna leeg karakter, iemand wiens naam voortdurend vergeten wordt en van wie niemand kan zeggen wat hij precies uitvoert in zijn werkkring, behalve dat het iets onbeduidends moet zijn. Hij loopt altijd met je mee, al ging hij aanvankelijk de andere kant op, is steeds bereid je mening als de zijne aan te nemen en wanneer ‘men in tegenwoordigheid van zo iemand een bedelaar een aalmoes geeft, dan zal ook hij hem een muntstukje toewerpen, maar wanneer men de bedelaar uitlacht of met scheldwoorden wegjaagt, dan zal hij meeschelden en lachen’.

Iwan Iwanytsj leeft! Altijd en overal. Hij is je buurman die elke avond naar de pratende hoofden op de televisie kijkt en nu en dan instemmend knikt; hij huist – als je pech hebt - in je eigen schuchtere, van boerensluwheid glanzende blik.

Graaf Boelanov: Ikaros met een zachte landing, alle ambitie verdampt, verdwenen. Doodvallen had meer tot de verbeelding gesproken en was gemakkelijker geweest. Ulrich: een onvoltooibaar leven. Alles waarop hij de blik richtte loste óók op. Zijn geluk was dat hij een schrijver had die eerder werd voltooid dan zijn werk. Iwan Iwanytsj: de man met geen, of liever alle eigenschappen, de man die zijn individualiteit opgaf ter overleving van zijn organisme. Het uitwisselbare ik als opperste mimicry.

Heeft het überhaupt zin om deze drie tamelijk willekeurig geselecteerde karakters bijeen te schrapen om uit hun configuratie een conclusie te puren? Het zou betekenen dat ze bruikbaar moesten zijn, ten nutte gemaakt moesten worden voor ‘iets’ buiten hun eigen papieren universum. Uit hun cellulose kosmos gerukt, zouden ze dienstbaar gemaakt moeten worden aan ‘iets hogers’ op de trap der abstractie. Maar wat koop je daarvoor? Het heeft ons de afgelopen millennia alleen maar narigheid gebracht, dat hogere, die abstracties en myriaden conclusies over alles en nog wat (hoewel het achterwege blijven van de juiste conclusies net zulke desastreuze gevolgen had). 

Net als personen van vlees en bloed valt de identiteit van ons gedrukte driemanschap samen met hun niet uitwisselbare biografie. Door vergelijking en analyse verworden ze tot andere karakters – ook een boeiend proces, maar ze zijn dan niet meer wie ze waren, gedaanten in een nog irreëler universum dan hun oorspronkelijke fictieve wereld. Hun vaagheid en ongrijpbaarheid is hun heikel fundament, hun enige aanspraak op aanwezigheid, op een aandeel in het zijn. Hun peilloze nietigheid en leegheid zijn onlosmakelijk verbonden met hun beschreven contouren. Jaren en decennia zit je maar te broeden over de vergankelijkheid, en eindelijk begrijp je dat het juist het momentane en onherhaalbare, het keihard en ondoordringbaar atoom van de uniciteit is waar het om draait. - 

Waarom wat draait? De vulgaire carrousel van ons bestaan, meer niet. Rondjes en nog meer rondjes; het is altijd nacht en altijd kermis, boven ons staat de volle maan en we zijn weer eens dronken van iets. Je kunt niet om onze lachwekkende en miraculeuze aanwezigheid heen, je kunt je oren niet sluiten voor ons opgetogen geschreeuw of verbijsterd gejammer wanneer we – altijd onverwacht - ons lot, onze Vijand, ontmoeten, met zijn stiletto op zak. Ex oriente lux! Er trekt daarboven een zilveren spoor door het inktzwart firmament. Het leidde in 1982 bijvoorbeeld naar een kleine planeet, ontdekt door de Russische astronome Ljoedmila Karatsjkina. Hij kreeg een naam, die kleine dondersteen in het niets: Ilfpetrov heet hij.

Alle genoemde boeken zijn na 2000 (opnieuw) in Nederlandse vertaling verschenen.


woensdag 11 april 2018

Nieuw seizoen sinister wandelen in Middelburg en Vlissingen




Beleef echte Zeeuwse gruwelverhalen met Sinister Zeeland


Eind april kunnen Zeeuwen en toeristen weer mee op een vertelwandeling van Sinister Zeeland. Wandel een verrassend rondje door Vlissingen en Middelburg en hoor gruwelijke stadsverhalen, verteld met zwarte humor door gidsen Jan J.B. Kuipers en Jan Jacobs. Voor alweer het derde jaar, onder het motto Luctor et Putesco: “ik worstel en rot weg”. De eerste wandeling dit seizoen is in Middelburg op donderdagavond 26 april en in Vlissingen op vrijdagavond 27 april, op Koningsdag. Een vertelwandeling duurt ruim 1,5 uur en is € 12,99 per persoon. Meewandelen kan na aankoop van een e-ticket via www.sinisterzeeland.nl. De ghostwalks zijn vanaf dit jaar ook privé te boeken als bedrijfsuitje, vrijgezellenfeest of vertelavond.


* Kijk HIER het verhaal en filmpje op WIJ ZIJN DE STAD *


foto H.M.D. Dekker
Je leert een stad pas echt kennen als je ook de rafelrandjes kent. De dingen die de bewoners het liefst verborgen zouden houden, verhalen die je niet hoort van de VVV. De zwarte kant van de stad: moorden en terechtstellingen, slavenhandel en piraterij. Met spannende, vaak gruwelijke verhalen. Over engelen en heksen, wonderen en waanzin en de merkwaardige mores van vroeger. Een liefdesverklaring aan zwartgallige streekgeschiedenis, van vroeger maar ook van nu: van de kaapvaart en de pest tot aan het hoofd in het bushokje.


Nieuwe legenden


Voor dit jaar gaat Sinister Zeeland actief op zoek naar nieuwe stadslegenden. Gidsen Jan J.B. Kuipers (Middelburg) en Jan Jacobs (Vlissingen) horen vrijwel elke wandeling een nieuw verhaal: “daar, op die hoek, heb ik wel eens iets merkwaardigs gezien”. Zeeuwen die ook zo’n verhaal willen delen kunnen ons mailen op info@sinisterzeeland.nl, een verhaal indienen via de website (het loket) of meedoen op de besloten facebookgroep (facebook.com/groups/sinisterzeeland).

Premières


In Middelburg is de premièrewandeling van 2018 op donderdagavond 26 april, verzamelen om 19:45 bij de bankjes voor De Vleeshal op de Markt. In Vlissingen geeft Sinister Zeeland een zwartgallig tintje aan Koningsdag: wandel mee op vrijdagavond 27 april, om 19:45 verzamelen bij de fontein op het Bellamypark. Tickets zijn exclusief verkrijgbaar op www.sinisterzeeland.nl. De wandelingen zijn in kleine, exclusieve groepen, vol is vol. 

Vanaf dit jaar is Sinister Zeeland ook beschikbaar om een bedrijfsfeest of een vrijgezellenpartijtje te vergallen. Luctor et Putesco!
Voor meer informatie over boekingen, speciale arrangementen: Marloes Matthijssen, info@sinisterzeeland.nl, 06-12022948
www.sinisterzeeland.nl
https://www.facebook.com/groups/sinisterzeeland/

Spokerij en travestie in 1891

zaterdag 3 maart 2018

Presentaties 'Westerschelde, portret van een open zeearm'

Het boek Westerschelde, portret van een open zeearm van Jan J.B. Kuipers m.m.v. Ad Tramper wordt op verschillende tijdstippen en plaatsen gepresenteerd met signeersessies. Zaterdagmiddag 10 maart zitten uitgever/fotograaf Theo Spinnewijn, Jan Kuipers en Jan Willem Hament bij boekhandel 't Spui in Vlissingen (13:00-14:30) en het Paard van Troje in Goes (15:15-16:45). Donderdagavond 15 maart zijn ze aanwezig in de Drvkkery, Middelburg (vanaf 19:00); zaterdagmiddag 17 maart bij Van de Sande, Terneuzen (13:00-14:30) en De Koperen Tuin, Goes (15:15-17:00).


* 20 april 2018: WESTERSCHELDE Boek van de week *

Het boek vangt aan met een fotografische tocht vanaf Gouy in Noord-Frankrijk waar de oorsprong ligt van de Schelde of L'Escaut, zoals de rivier in Frankrijk heet, waarna deze als een klein stroompje haar reis begint langs verschillende dorpjes en stadjes in Noord-Frankrijk en België, om in de buurt van Antwerpen verder te gaan als de Westerschelde. Vanaf dat punt wordt het een brede en krachtige open zeearm die op haar eindpunt bij Vlissingen waar ze uitmondt in de Noordzee, maar liefst bijna 8000 meter breed is.

In het boek wordt de historie van de Westerschelde belicht door auteur Jan J.B. Kuipers m.m.v. de stadsarchivaris van Vlissingen, Ad Tramper. Daarnaast werken ook in dit boek weer een aantal bekende Zeeuwen mee die allen een speciale band hebben met de Westerschelde.




Onderwerpen


Thema's die ter sprake komen zijn o.a.: het water en de scheepvaart, de flora en fauna in en aan de Westerschelde en het omringende land, de steden, dorpen en monumenten, recreatie en toerisme. Ook in dit boek is er weer veel aandacht voor de Zeeuwse lekkernijen uit of van rondom de Westerschelde. Daarnaast wordt stilgestaan bij onderwerpen als de Hewigepolder, Het Land van Saeftinghe, de Hooge Platen, Plan Waterdunen en natuurlijk is er ook aandacht voor de gevaren die de Westerschelde met zich meebrengt, waarvan de stranding van het grote containerschip de Jupiter CSCL op 14 augustus 2017 een voorbeeld is.

Dit fraai gebonden boek van uitgeverij De Groote Roeibaerse telt 192 pagina's, meer dan 275 foto's en enkele illustraties van Jan Willem Hament. Het is te koop vanaf vrijdag 9 maart.
Contact: info@degrooteroeibaerse.nl

zaterdag 3 februari 2018

MOORD AAN BOORD VAN DE PSD als e-boek

Thriller / detectiveroman / genre ‘noir’


Februari 2018 - Het eerste avontuur van de Groninger privédetective Siebe Edens, oorspronkelijk  verschenen in 1998, is na twintig jaar opnieuw beschikbaar als goedkoop e-boek. In Moord aan boord van de PSD reist privé-detective Siebe Edens eind jaren negentig naar Zeeland om een eeuwenoude amulet op te sporen, gestolen uit het graf van een Tempelier. Hij belandt in een schemerzone van archeologen, schatgravers, illegale kunsthandel, intriges en bedrog, en weet zich ternauwernood het vege lijf te redden.


Moord aan boord van de PSD verscheen oorspronkelijk als 'Uitgave ter gelegenheid van de Week van het Zeeuwse boek 1998' (geschenkboek). De foto van het PSD-veerschip 'Prins Johan Friso' zal bij velen nog enige nostalgie oproepen. Een deel van het avontuur speelt zich op deze veerboot af.
Ook de presentatie van het oorspronkelijke boek vond op 4 november 1998 plaats op ditzelfde schip, waarbij mr. D.F. Vos, directeur van de Provinciale Stoombootdiensten, het eerste exemplaar in ontvangst nam. De vertrouwde veerdiensten gingen door de komst van de Westerscheldetunnel verdwijnen en 'daarom is het fijn dat onze dienst in de literatuur vereeuwigd is,' aldus de heer Vos.

De e-uitgave is hier te vinden (smashwords-editie, $2.99 USD).
Eerst kennismaken? 15 procent van het boekje is als 'sample' te downloaden.


Inhoud van het e-boek
Eind jaren negentig vertrekt de Groningse privédetective Siebe Edens naar Zeeland om een eeuwenoude amulet op te sporen. Deze is ontvreemd uit het graf van een Tempelier op de Markt in Middelburg. Kort na Edens’ aankomst duikt het lijk van een vermoorde journalist op. Dit is het begin van een reeks verwikkelingen, waarbij de piekerende antiheld Siebe Edens doordringt in een Zeeuwse schemerzone van archeologen, schatgravers en illegale kunsthandel. En wat heeft de aangekondigde opheffing van de Westerscheldeveren met dit alles te maken? Terug naar de vorige eeuw in deze Siebe Edens-roman, toen er nog guldens waren en dialectsprekers, en de mens al evenmin deugde als nu…

'Als ik dit boek lees zit ik vaak hardop te lachen.'
'De boekenkast van Cees Maas', Zeeuws Tijdschrift 2002/2
'

Misdaadverhalen
Jan J.B. Kuipers’ productie in het thrillergenre omvat korte verhalen, jeugdnovellen in de reeks Vlaamse Filmpjes en enkele romans. Het werk voor volwassenen bestrijkt twee subdisciplines: Nederlandse neo-noir polderthrillers rond Siebe Edens en SF-detectiveverhalen in een zeer verre toekomst, waarin de antiheld Valster Boltaan figureert. Voorts verscheen van Jan Kuipers de historische roman Kleine Leviathan (Mechelen 2009), gebaseerd op de lotgevallen van de oplichter en pathologische leugenaar Abraham Magaris, een historische figuur uit het midden van de achttiende eeuw.

Als literair misdaadauteur debuteerde Kuipers met het korte verhaal ‘In het gras’ in Thrillers & Detectives 8(1988)5, 16‑18 (ill. Steye Raviez). Hij was als schrijver/freelancer toen al ongeveer vijftien jaar actief.

Siebe Edens (portret door Ramon de Nennie).


Andere Siebe Edens-avonturen
In 2007 verscheen in het kader van het Michiel de Ruyterjaar een tweede korte roman over Edens: In de schaduw van Michiel (Vlissingen: Den Boer/de Ruiter).
Korte verhalen over Siebe Edens verschenen ook in het literaire tijdschrift Ballustrada (‘Moeilijke woorden’, 2001) en de bloemlezingen Laaglandse verhalen (‘Laaglandse zeden’, Vlissingen 2006), Misdaad in het kort (‘Sofie’, Groningen 2009), Zondig in Zeeland (Rotterdam 2012), Moord & Mysterie (‘Moeilijke woorden’, 2017). Een hoofdstukje uit Kuipers’ Edensroman De Put (Liverse, 2012) verscheen als het korte verhaal ‘Kopstootje’ in Ballustrada 2010 afl. 4/5, in het door de auteur samengestelde prozathema ‘Neo-noir’.

Een Siebe Edens-verhaal uit 2010, ‘De strat van Brockabilly’, verplaatst de bekende sage rond blueslegende Robert Johnson, die zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht, naar de Zeeuwse delta, met als hoofdpersonage een figuur gebaseerd op de bekende Bevelandse rocker (wijlen) Jan Blok (Holland SF 2010 nr. 2, thema ‘Kruispunten’ en decreet 2011). Ballustrada 25(2011) nr. 3/4 bevat  ‘Lijkenpikkerij’, dat een episode uit Edens’ jeugd behandelt.