zondag 25 augustus 2019

Grondstof van het fantastisch lichaam

Oktober 2006: geen witte wolken, maar grijze, blauwige – deze tempel zou in Nederland, het miniatuurstaatje waar men de vinger allang niet meer in de dijk steekt maar hoog en zwaaiend in de lucht, subiet gesloten worden wegens luchtvervuiling. De wierookdampen rondom de grote ijzeren branders vóór de tempelhallen met de godenbeelden zijn zo dicht dat ze je op de keel slaan en het ademen bemoeilijken. 


We ondergaan religie in vol bedrijf, in de grote en feeërieke Tempel van de Witte Wolk (Baiyun Guan) net ten westen van het stadshart van Beijing. Jong en oud verzamelt zich hier, gaat op de knieën voor talrijke godheden met nuttige functies: een god voor de gezondheid en één voor geld en rijkdom; in dit officieel atheïstische land houdt men zelfs goden voor de poort en voor de keuken in ere. Met de zeer efficiënte, uitermate moderne metro naar een devotioneel arcadia – als dat geen tijdreizen is.

Foto's Heleen M.D. Dekker
De Hal van de Acht Onsterfelijken, overbekende figuren uit de labyrintische taoïstische mythologie, ligt wat verder naar achteren aan de westelijke as van de tempel. Er staat geen brander voor de hal, binnen wordt wel wierook gebrand in kleinere komforen, die nu echter niet in gebruik zijn. Het ruikt hier naar oude wierook, en de drukte is er veel minder dan in de voorste regionen van de tempel, waar velen – opvallend veel jongeren - hun grootste hoeveelheid celestieel kruit al verstoken. 

Vallende munten


Ergens verderop is een nog verbijsterende ruimte, waar langs de randen zestig beelden van taoïstische sterrengoden staan opgesteld, die elk bepaalde geboortejaren bewaken. Voor elk kleurig idool staat een kistje waarin je geld kunst stoppen. Regelmatig klinkt het rinkelen van vallende munten.

Monniken in verschillende uitmonstering lopen rond; behalve het lange opgestoken haar, de veelal pluizige baardjes en de beenwindsels zie ik witte, blauwe en zwarte kledingvarianten. Sommigen pakken de neergelegde bundels wierookstokken van de altaren met felgekleurde goden en kieperen ze in de wierookbrander vóór de hal; anderen slaan zacht op de gong als je een hal binnentreedt, zodat de hier residerende godheid verneemt dat er volk is. Een kies en verstandig gebruik. Weer anderen maken buiten een praatje of schreeuwen in hun mobiele telefoon.

Zo gemoedelijk, eclectisch en kermisachtig dient religie te zijn, wil zij haar diepste functie als ‘opium voor het volk’ kunnen vervullen.

Geleende goden


Het taoïsme is bij ons vooral bekend door de de leer van Lao Tze of Lao Zi, maar in zijn thuisland ging deze vrije geest uit de zesde of, volgens sommigen, vierde eeuw voor Christus al van meet aan verscholen in een jungle van gebruiken, ‘bijgeloof’ (de term acht ik in een religieuze context verfoeilijk), feestelijke rituelen, folkloristische en magische praktijken, verpletterend veelgodendom en gepersonifieerde kosmische krachten. 

Evenals het boeddhisme heeft ook het taoïsme talrijke scholen of sekten voortgebracht. Verschil met de onverdraagzaamheid van de joods-christelijk-islamitische traditie is, dat in het Oosten de sekten veelal tevreden naast elkaar voortbestonden en driftig uit elkaars ideologische, rituele en artistieke schatkist leenden – hoewel politieke en economische belangen ook hier uiteraard voor het nodige bloedvergieten hebben gezorgd.

Onder de goden en kosmische entiteiten van het taoïsme tellen we allerlei vergoddelijkte volkshelden, heersers en wijze mannen. Veel van deze gestalten waren trouwens geleend van het boeddhisme en (via deze religie) van het hindoeïsme. Lao Zi, de anarchistische, goddeloze wijsgeer, werd de hoofdgod van deze grandioze spektakelreligie. Met o.m. de Mythische Keizers bevinden de Acht Onsterfelijken zich in de meest bekende en algemene regionen van het oeverloze pantheon en de taoïstische folklore. 

Kwik tegen de dood


Hun achtergrond en iconografie demonstreert de pragmatische openheid en imaginatieve rijkdom van het taoïsme. Tussen hen bevindt zich de achterstevoren op een ezel zittende patroon der oude mannen, voorzien van de perzik der onsterfelijkheid; de kreupele, van een ijzeren been en een kalebas met wonderkruiden voorziene patroon van de zieken; een hermafroditische straatmuzikant die de patroon is der bloemisten (Lan Caihe of Lan Ts’ai-hwo) en de enige vrouw: He Xiangu of Ho Sjen-Koe, vaak afgebeeld met een enorme toverlotus. Zij speelt fluit of geniet van wijn.

Genieten van wijn, natuurlijk, dat is belangrijk in het leven. Wij willen niet lijden en bovenal willen we niet sterven, daarom is enige vorm van voortleven of onsterfelijkheid de centrale idee van elke religie en dus ook van het taoïsme. Bekend zijn vele gevallen van taoïstische alchemisten die zichzelf in de niet aflatende zucht naar onsterfelijkheid vergiftigden met kwik, goudsnippers of arseen. Ze gingen daar natuurlijk aan dood, maar hun lijken glansden zacht en toonden opvallend gaaf en jeugdig.

Goede of goedbedoelde verhalen


Enige retrospectie leert dat het in mijn eigen oudere SF-verhalen óók verbazend vaak gaat over de relaties van lichaam, identiteit, vergankelijkheid en onsterfelijkheid. Enkele voorbeelden laat ik hier de revue passeren (zie voor verantwoording de Aantekeningen onderaan). In ‘Jagerslied’ rukt Gugu Filosel, één der befaamdste en meest onbehouwen onsterfelijken uit de Octantische mythologie, zich los van de bekoringen van het Vat van Plenty om terug te vinden wat hij verloren was: zijn eenduidige en niet inwisselbare individualiteit. Hiertoe meent hij alsnog een eervolle dood te moeten ondergaan, om zich vervolgens te kunnen vervoegen in De Goede Plaats, het hiernamaals waar de halfgoden en gestorven heiligen eeuwig vertoeven. 

Het blijkt een zonde tegen de archetypische structuur. Mythische helden zijn weliswaar gespeend van overdreven sociaal instinct, maar helpen door hun onverschrokkenheid hun gemeenschap drastisch vooruit. 

Tot een dergelijk positief functioneren is echter de meedogenloze slachter Filosel niet in staat. Ondanks zijn, dankzij zijn Veerkracht onvernietigbare lichaam is Gugu een antiheld, die uiteindelijk weer op zijn punt van vertrek belandt, in een veel deplorabeler conditie dan toen hij vertrok. Zijn queeste is een mislukking geworden. Het Vat van Plenty is wellicht de ultieme droom van de verzorgingsstaat, maar onsterfelijkheid, zo leren we, is niet te verenigen met onze aan een handjevol plekken, een handjevol relaties en een handjevol tijd verbonden individualiteit. - Niet dat er uit dit verhaal iets geleerd moet worden wat er met opzet in is gestopt; verhalen zijn immers niets dan leugens in dienst van de waarheid; als het goede of tenminste goedbedoelde verhalen zijn, die een tikje meer willen bieden dan alleen verstrooiing.

Vereenvoudiging


‘De Gang der Pragmatieken’ is een historie waarin op zoek wordt gegaan naar de grens van de Virtualiteit – een ijselijk gedateerde term inmiddels, maar in het kader van dit verhaal uitermate toepasselijk -, alwaar de vereenvoudigde, werkelijke werkelijkheid de ik-figuur zal wachten. Vereenvoudiging is zeker zijn deel; een nadeel hiervan is dat de belevenissen van de protagonist worden geperst in de beproefde, maar min of meer kromgetrokken sjabloon van de oude Werken van Herakles.

De held van het verhaal verandert na tal van ontberingen in een geperverteerde afspiegeling van deze heros, om tenslotte een al even jammerlijke versie van Hesperus, bewaker van de Appelen der Jeugd, te verslaan – alleen om tot de conclusie te komen dat hij, hier aan de uiterste kust, nu zijn eigen verslagen slachtoffer dient te worden, gevangen aan de boorden van een desolate zee. ‘Daar ergens is misschien de werkelijke werkelijkheid,’ peinst de aan zijn nieuwe, troosteloze want definitieve identiteit geketende ik-figuur, ‘minstens één stap voorbij elk van mijn verhalen.’ Slotsom: wie de sluiers van fabels, fantasieën en schijnwerkelijkheden verwijdert staart slechts in de leegte, en verlangt wanhopig naar de oude drogbeelden.

Weggevallen letters


‘Mijn Lege Helm, met rijp getooid’ (winaar King Kong Award 1987) heeft een verwante thematiek. Seminole Fortunatus reist in het gierige licht van Algol door de wereldmatrijzen, op zoek naar de onvergankelijke Objectieve Wereld. Dat hij, vergezeld door zijn Geest en een onbezielde Inanimaal, in een soort travestie van de eerbiedwaardige triade lichaam-ziel-geest, die Objectieve Wereld onstuitbaar nadert blijkt wel uit het feit dat er steeds letters uit zijn naam wegvallen; ook Gugu Filosel had trouwens grote problemen om zijn naam een beetje bij elkaar te houden. Eenvoud is het kenmerk van het ware! 

Tenslotte blijkt in ‘Mijn Lege Helm’, dat speelt met Hegels list der rede en Fichte’s idee van het Absolute Ik, dat de objectiviteit weinig goeds met ons sterfelijke lichaam voorheeft: het met zijn Inanimaal versmolten hoofdpersonage blijft in het zicht van het einddoel achter, terwijl zijn Geest zich van hem losrukt om op te gaan in de gigantische lichtbol aan de einder: het konterfeitsel van de Wereldgeest, bron en doel van alles.

Simpele, boerse magie is aan de orde in ‘Het twaalfde ambacht en hogerop’, waarin de dorpsheks Festa van het eiland Walaker (‘Bedoel je Walcheren?’ ‘Nee, ik bedoel Walaker’) met behulp van handig geritste runenstokjes en een beetje seksuele manipulatie de tijdbarrière weet te overwinnen en zo haar doel bereikt: promotie tot de status van godin. Maar ook háár zo onweerstaanbare gedaante is niet tegen deze transformatie opgewassen. Op de ruige bult voorbij de tijd zijn nog altijd de drie Nornen actief, onverpoosd werkend aan het tapijt van de geschiedenis. Het is een alomvattend weefsel waarin de kersverse godin onverbiddelijk wordt opgezogen, want ook de sluiers van tijd en ruimte vallen wanneer je je gedaante laat vallen: ‘Festa voelde zich wegzinken in het veelkleurige bergpad. Ze worstelde en vocht, maar raakte zo nog verder verstrikt in draden en patronen. Met bedachtzame rukjes haalden de weefsters het bergpad van haar lot in – Festa verdween protesterend tussen de armen van het getouw, die haar nijver begonnen te ontrafelen.’

Het lichaam als fantasma


Nadenken over het fantastische lichaam doet onontkoombare vragen rijzen met betrekking tot ons reële lichaam en de waarde van het daarmee verbonden ‘ik’. Probeer jezelf te benoemen, schrijf op wie je werkelijk bent en je krijgt iemand anders: een fictie, een pop van lukrake lapjes met te weinig stro van binnen. Het ‘wijkende ik’: steeds als je over jezelf denkt ontstaat er een spookachtige projectie, een ‘gedacht ik’ als product van een ‘denkende’ dat we alleen kennen van zijn constructies waarachter het schuilgaat. Het ‘denkende’ is een buurman die steentjes in je tuin gooit en steeds achter de schutting duikt als je hem erover wilt aanspreken.

Het ‘ik’ bestaat niet, dat is al zolang geleden vastgesteld. Maar waarom heeft dat fantoom-ik, die hersenschim, dan zoveel pijn als het aangereden wordt door een bus of als de gezwellen zich openbaren? Ach, het is de ervaring van het lichaam, die tijdelijke bundel van ongrijpbare en anonieme processen, die het kennelijk nodig heeft de fictie op te roepen. ‘Ik denk, dus ik besta’ is bij lange na het parool niet, ondanks de hoge antiquarische waarde. En ook niet ‘het lichaam denkt, dus het bestaat’. Immers, ook het lichaam is een bedenksel.
‘Het lichaam denkt dat het bestaat.’

Ja, zelfs als het lichaam ligt te vergaan denkt het kennelijk nog dat het er is. Doden vertonen zich na hun verscheiden nog graag aan ons. Niet eens als schimmen, geesten of spoken; maar gewoon in hun vertrouwde lijfelijke en complete gedaante; op de fiets of als voetganger, haastig op weg naar de bloemist of vol aandacht een etalage in ogenschouw nemend. Ik ben de zelandica-uitgever en -auteur Jan Bruijns (1953-2000) na zijn dood nog herhaaldelijk tegengekomen op zijn fiets. Bij nadering bleek hij dan geweken te zijn en passeerde een volkomen vreemde me, die amper op de overledene leek. De Zeeuwse cultuurhistoricus J.H. (Hein) Kluiver, destijds toch ook al een paar jaar dood, zag ik in het najaar van 2003 vanaf het Middelburgse spoorstation op de wal van de achterliggende singel staan. Hij staarde nadenkend over het Kanaal door Walcheren de stad in, waar hij zoveel jaren was rondgegaan. Toen ik door dit tafereel getroffen de blik wat scherper stelde bleek Kluiver ineens uit die grijzige gestalte verdwenen.
Het was nu Niemand, die daar stond.


Dorst


Het lichaam wil ook niets liever dan bestaan.
Het begrip ‘ontologische dorst’ dat de godsdiensthistoricus Mircea Eliade als verklaring van het bestaan van allerlei mythisch-religieuze en cultische noties en verschijnselen gaf komt me sinds het kennisnemen ervan, jaren geleden, nog altijd treffend voor. Het is natuurlijk geen verklaring maar parafrase – maar één die tenminste voldoening geeft. 

Diezelfde ontologische dorst kun je ook als bron van de historische neiging plaatsen; niet zozeer de drang naar feitjes of verklaringen daarvan, maar het verlangen om verleden leven te herleven: het dagelijks doen en laten, het ademen van de lucht van 1745 of de registratie van een lichtval – generaties geleden. Confrontaties met de periode van 1775 tot 1850 hebben bij mij vaak valse herinneringen opgeroepen, schreef ik dik vijftien jaar geleden: ‘zwemende voorstellingen van een interieur of gedaante, even vluchtig en ongrijpbaar als de meeste authentieke herinneringen, maar óók verbonden met de voor herinneringen kenmerkende affecten van persoonlijke betrokkenheid en hernieuwde vertrouwdheid’ ('Het analeptische oog, Hollands Maandblad 1991-8/9, 19-25).

Inderdaad, hoe levensecht en beantwoordend aan de ontologische dorst ook, zoals een fata morgana aan de lijfelijke: – valse herinneringen zijn en blijven het.
Het lichaam wil bestaan: niet alleen na zijn ontbinding, maar ook vóór zijn ontstaan.

Lof van het singuliere


Eigenlijk zijn mijn hierboven aangestipte verhalen, gezien hun karakter van mythologische travestie, eigenlijk niet samen te vatten en dat is tegelijk hun pointe: het singuliere, eenmalige, toevallige – zoals ook uitgedrukt in het taoïstisch pantheon - manifesteert zich als kenmerk van het ware. Ze zijn nagestamelde theofanieën van een ongelovige, die in de verschijning van het irreële de fundamentele kwaliteit van onze existentie herkent: het ondoordringbare mysterie van het zijn.

Ook het pragmatische, historische taoïsme biedt slechts een schijnoplossing, een snel vervluchtigende roes als van opium. De zichzelf om zeep brengende taoïstische alchemisten brachten weliswaar een enorme vooruitgang teweeg in hun wetenschappelijke cultuur, maar dood gingen ze. De Acht Onsterfelijken en hun evenknieën leren ons één ding: wil je fysiek onsterfelijk zijn, word dan van hout of klei en laat je prachtig polychromeren. Je blik zal vanuit het eeuwig nu onaangedaan staren over de hoofden van je aanbidders, priemend door wolken van wierook die de bedwelmende adem van de goden is. Jouw adem.

Aantekeningen

Dit essay verscheen eerder in Holland SF 41(2007)1, 15-17. Een deel van de beschouwingen zijn een bewerkte en ingekorte weergave van ‘Hersenschimmen met pijn’, Ballustrada 18(2004)2, 38-39, ook opgenomen in mijn essaybundel Methoden tegen de helderheid (2014), evenals het in de tekst aangehaalde 'Het analeptische oog'. De genoemde verhalen zijn her en der gepubliceerd, maar ook alle opgenomen in mijn bundel Bannenfluister, hemelglas (Babel SF 10, 1995). Nadien verschenen naast andersoortig werk en romans binnen het fantastische genre nog de bundels Hubake's Huis (2011) en Houten Trouw (2018).