donderdag 12 april 2018

Oostelijke personages

Het literair periodiek Ballustrada, jaargang 2009, dubbelnummer 1/2, bevatte een door mij samengesteld prozathema 'Ons Oosten', waaraan ik zelf een Ten Geleide en een essay 'Oostelijke personages' bijdroeg. Het laatste volgt hieronder (met wijzigingen in de interlinie). De bijdrage was afl. 7 van de reeks 'De juiste verkeerde verbanden' van dezelfde auteur in Ballustrada.


‘(…) en dat alles droeg de sporen van een zeer bewogen leven dat innerlijk leeg is.’ 
Robert Musil, De man zonder eigenschappen 


De mystieke verlichting – verlossing door suprarationeel inzicht – is een zo verre mijlpaal dat zelfs romanpersonages deze niet weten te bereiken. Weliswaar lukte het bijna bij graaf Aleksej Boelanov, een niet eens secundair, maar in een raamverhaal functionerend karakter in De twaalf stoelen van Ilja Ilf & Jevgeni Petrov (1928). Boelanov, ‘de briljante huzaar’, was ooit de held van aristocratisch Petersburg lezen we, maar deze steenrijke, flamboyante ‘luisterrijke cavalerist en drinkebroer’ verdween plotseling naar de Averkiev-woestijn om er het monnikskleed aan te trekken.

Vignet van 'De juiste verkeerde verbanden'.
Een asceet was geboren. Hij droeg ketenen en ontwierp een speciale dracht: een kap met schuine klep die het aangezicht bedekte en een habijt dat zijn bewegingen beperkte. Maar het was nog niet genoeg: ‘Omgord door trots zocht hij zich een hol in het bos en woonde in een eikenhouten doodkist.’ Boelanov leefde er uitsluitend op de beschuiten die hem eens in de drie maanden werden gebracht. ‘Kalm en blij lag hij in zijn kist en genoot van zijn levenskennis’, zelfs toen de beschuitenbrenger hem had verteld dat de sovjets de macht hadden veroverd en van zijn klooster een sovchoz hadden gemaakt. De gedachten van Boelanov waren zo kalm en transparant geworden dat niets deze nog kon verstoren, zijn grijze baard bedekte al de halve kist.
 
Op zekere dag besefte de graaf dat hij definitief het licht had gezien.
Maar de nacht daarop werd hij plots wakker. Brandend gevoel in zijn rug! Hij keek in zijn kist: ‘in de hoeken van zijn duistere sponde was het een komen en gaan van kersrode wantsen. De kluizenaar werd er misselijk van.’

De satirische romans De twaalf stoelen en Het gouden kalf (1931) maakten Ilf & Petrov tot een zeer beroemd schrijversduo in de Sovjet-Unie. Vreemd genoeg belandden ze niet onder een of ander voorwendsel in de goelag; ondanks hun nauwelijks verhulde kritiek op de sovjetmaatschappij, de ‘Nieuwe Economische Politiek’ respectievelijk ‘het socialisme in opbouw’. Maar eigenlijk staken ze de draak met alles. In die duistere stalinistische jaren kon Ilf in 1937 apolitiek aan tuberculose overlijden, en vond Petrov in 1942 zijn einde bij een vliegtuigongeluk op de Krim, waar hij oorlogsverslaggever was. 

Ilf & Petrov (1932)

Hoofdpersoon in beide boeken is de oplichter Ostap Bender, een onwaarschijnlijk personage van deels Turkse komaf. In De twaalf stoelen, aan het eind waarvan hij sterft, speurt Ostap naar een schat die vóór de Revolutie in één van een identieke set stoelen is verstopt. De lange reizen achter de stoelen aan en de bijbehorende talloze verwikkelingen leiden uiteindelijk tot niets, behalve dan de al genoemde dood van Bender, die door zijn kompaan en slachtoffer de hals wordt afgesneden – een hoedanigheid die in het vervolg Het gouden kalf, een zwakker, maar nog altijd zeer lezenswaardig boek, onmiddellijk ongedaan wordt gemaakt met de mededeling dat Ostap de bekkensnijderij ternauwernood had overleefd. Een flauwe kunstgreep, het absurde sovjetuniversum waardig. 

- Boelanov smeerde heel zijn doodkist, dat vehikel der verlichting door wantsen in bezit genomen, met petroleum in. Na twee maanden bleek dat zelfs dit goedje de wantsen niet kon verdrijven. Ook andere giffen baatten niet, noch het met houtsplinters in brand steken van de beestjes. ‘’s Nachts lag hij wild te woelen en luid te bidden maar die gebeden hielpen nog minder dan de petroleum’. Wat vijfentwintig jaar vasten niet voor elkaar had gekregen was nu een feit: de gezondheid van de kluizenaar ging naar de filistijnen. Na twee jaar strijd tegen de wantsen besefte Boelanov dat hij helemaal niet meer aan de zin van het leven dacht. Dag en nacht werd hij in beslag genomen door het uitroeien van de wantsen. ‘Toen begreep hij plotseling dat hij zich vergist had. Het leven was nog even duister en raadselachtig als vijfentwintig jaar geleden.’ Je kon niet tegelijkertijd met je lijf op aarde en met je ziel in de hemel wonen.

IJlings verliet Boelanov zijn holwoning en stond midden in het donkere, groene bos. ‘Een onbekende vogel zat op een tak en zong een solo. Er denderde een trein voorbij. De grond trilde. Het leven was prachtig. Zonder omzien richtte de wijze zijn schreden voorwaarts. Tegenwoordig werkt hij als koetsier bij het paardendepot van het Moskouse gemeentebedrijf.’

Ergens aan het eind van De twaalf stoelen is Boelanov uit zijn ingeraamde vertelling getreden en ontmoeten we hem in het hoofdverhaal als oude man, zorgelijk prakkiserend over het uitblijven van de al zo lang beloofde uniformpetten – Boelanov, verschrompeld tot verre neef van tijdgenoot Franz Biberkopf uit Berlin Alexanderplatz, die vanaf de andere maatschappelijke pool was gekomen en een ontwikkeling van randfiguur tot kleinburger doormaakte. De graaf en mysticus Boelanov was niet meer. De man uit duizenden werd één van de duizenden, een inwisselbare wiens identiteit huisde in de uniformpet.
Een kameraad.
Zegepraal van het socialisme!

Het merkwaardige is dat personages je des te beter lijken bij te blijven naarmate ze ongrijpbaarder zijn, inconsistenter; wanneer ze onderhevig aan onverklaarbare fluctuaties over het papier snellen als schaduwen. Een personage moet om zich blijvend in je herinnering te nestelen juist fragmentarisch zijn, echoachtig, vervagend – als een geruime tijd geleden gestorvene uit je naaste kring. Als iemand die je misschien tientallen jaren hebt meegemaakt en hebt trachten te doorgronden en die, wegzinkend in het schemerig moeras van je geheugen, niet langer de vertrouwde vreemdeling is die hij of zij altijd al was, maar nu pas werkelijk één van je intimi, want deel van jezelf.

We bouwen onze huizen tegenwoordig op zand; na enkele duizenden jaren geletterdheid hebben we de van alle begroeiing ontdane bergtop bereikt; we ontstegen de laaghangende wolkenbanken met het – al even tijdgebonden? - besef dat de wereld en die stromen van gebeurtenissen daar beneden van elke objectieve betekenis zijn ontbloot.

Dode mus is zeker niet alleen de jachtbuit van de mislukte mysticus die naar ontlediging en het luchtledige streeft, maar ook die van de door cognitieve zwaartekracht geketende, getuige de beroemdste Man zonder eigenschappen, het hoofdpersonage Ulrich in Robert Musils – uiteraard – onvoltooide roman, in delen verschenen in 1930 en 1942. Er wordt in Der Mann ohne Eigenschaften ‘een poging ondernomen de werking van de rede op het spoor te komen door zich juist te begeven op die gebieden waar haar licht niet meer reikt’, schreef Anthony Mertens in De Groene Amsterdammer. Ulrich denkt en peinst aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog dat het een aard heeft, enkele duizenden bladzijden lang. Het vergt toewijding om deze ‘belangrijkste roman van de twintigste eeuw’ tot het niet bestaande einde te verdragen, met zijn onbestaanbare dialogen en naar niets leidende meanders, zijn vaak verschrikkelijke, gedateerde langdradigheid. 

Je hoort het gebint van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie kraken en kraken. En nog eens kraken. Maar in dit door lamlendige indigestie almaar uitdijende corpus bewegen zich loom en exotisch een vaste groep fascinerende maar ongrijpbare personages. Waar Boelanov in zijn kist alleen maar zo optimaal mogelijk wilde zijn, wilde de uitvretende en pedante intellectueel Ulrich zien. Hij en zijn zuster Agathe proberen de wereld te begrijpen – en vooral eindeloos en van steeds wisselende uitgangspunten onder woorden te brengen. Schimmen zijn ze onder schimmen.

Voor een aan de buitenzijde waargenomen man zonder eigenschappen van aanzienlijk plomper en praktischer snit moeten we opnieuw te rade bij de Russische literatuur, uit de premodernistische negentiende eeuw waarin betekenis nog volop voorhanden was, al snoof men al licht verontrust het aroma op van de komende tijden - brisant, mosterdgas, de ballistite van Alfred Nobel, de stank van het cultureel gangreen? Ik doel op het in dit opzicht reukloze karakter Iwan Iwanytsj in Gontsjarows Oblomov (1859), de roman rond het gelijknamige personage dat we wel de man met één eigenschap kunnen noemen – een volledig negatieve eigenschap. 

Gontsjarov
Want Oblomov is bij uitstek de Man zonder Wil, de man die zijn leven grotendeels liggend doorbrengt. En Iwan Iwanytsj is een van degenen die hem voortdurend storen in zijn inertie, iemand met een nietszeggend uiterlijk en een bijna leeg karakter, iemand wiens naam voortdurend vergeten wordt en van wie niemand kan zeggen wat hij precies uitvoert in zijn werkkring, behalve dat het iets onbeduidends moet zijn. Hij loopt altijd met je mee, al ging hij aanvankelijk de andere kant op, is steeds bereid je mening als de zijne aan te nemen en wanneer ‘men in tegenwoordigheid van zo iemand een bedelaar een aalmoes geeft, dan zal ook hij hem een muntstukje toewerpen, maar wanneer men de bedelaar uitlacht of met scheldwoorden wegjaagt, dan zal hij meeschelden en lachen’.

Iwan Iwanytsj leeft! Altijd en overal. Hij is je buurman die elke avond naar de pratende hoofden op de televisie kijkt en nu en dan instemmend knikt; hij huist – als je pech hebt - in je eigen schuchtere, van boerensluwheid glanzende blik.

Graaf Boelanov: Ikaros met een zachte landing, alle ambitie verdampt, verdwenen. Doodvallen had meer tot de verbeelding gesproken en was gemakkelijker geweest. Ulrich: een onvoltooibaar leven. Alles waarop hij de blik richtte loste óók op. Zijn geluk was dat hij een schrijver had die eerder werd voltooid dan zijn werk. Iwan Iwanytsj: de man met geen, of liever alle eigenschappen, de man die zijn individualiteit opgaf ter overleving van zijn organisme. Het uitwisselbare ik als opperste mimicry.

Heeft het überhaupt zin om deze drie tamelijk willekeurig geselecteerde karakters bijeen te schrapen om uit hun configuratie een conclusie te puren? Het zou betekenen dat ze bruikbaar moesten zijn, ten nutte gemaakt moesten worden voor ‘iets’ buiten hun eigen papieren universum. Uit hun cellulose kosmos gerukt, zouden ze dienstbaar gemaakt moeten worden aan ‘iets hogers’ op de trap der abstractie. Maar wat koop je daarvoor? Het heeft ons de afgelopen millennia alleen maar narigheid gebracht, dat hogere, die abstracties en myriaden conclusies over alles en nog wat (hoewel het achterwege blijven van de juiste conclusies net zulke desastreuze gevolgen had). 

Net als personen van vlees en bloed valt de identiteit van ons gedrukte driemanschap samen met hun niet uitwisselbare biografie. Door vergelijking en analyse verworden ze tot andere karakters – ook een boeiend proces, maar ze zijn dan niet meer wie ze waren, gedaanten in een nog irreëler universum dan hun oorspronkelijke fictieve wereld. Hun vaagheid en ongrijpbaarheid is hun heikel fundament, hun enige aanspraak op aanwezigheid, op een aandeel in het zijn. Hun peilloze nietigheid en leegheid zijn onlosmakelijk verbonden met hun beschreven contouren. Jaren en decennia zit je maar te broeden over de vergankelijkheid, en eindelijk begrijp je dat het juist het momentane en onherhaalbare, het keihard en ondoordringbaar atoom van de uniciteit is waar het om draait. - 

Waarom wat draait? De vulgaire carrousel van ons bestaan, meer niet. Rondjes en nog meer rondjes; het is altijd nacht en altijd kermis, boven ons staat de volle maan en we zijn weer eens dronken van iets. Je kunt niet om onze lachwekkende en miraculeuze aanwezigheid heen, je kunt je oren niet sluiten voor ons opgetogen geschreeuw of verbijsterd gejammer wanneer we – altijd onverwacht - ons lot, onze Vijand, ontmoeten, met zijn stiletto op zak. Ex oriente lux! Er trekt daarboven een zilveren spoor door het inktzwart firmament. Het leidde in 1982 bijvoorbeeld naar een kleine planeet, ontdekt door de Russische astronome Ljoedmila Karatsjkina. Hij kreeg een naam, die kleine dondersteen in het niets: Ilfpetrov heet hij.

Alle genoemde boeken zijn na 2000 (opnieuw) in Nederlandse vertaling verschenen.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten