zondag 21 juni 2020

Geestverschijningen van het origineel

In ‘Onsterfelijk op schaal’ (Hollands maandblad 1995-4) schreef ik over de miniatuur en het ‘literaire droste-effect’, onder meer naar aanleiding van Mishima’s roman Het Gouden Paviljoen (1956). Het hoofdpersonage, de stotterende brandstichter Mizogushi, ziet een miniatuur van de beroemde Zentempel Het Gouden Paviljoen in Kyoto, die hem onmiddellijk en veel sterker dan het origineel aantrekt en fascineert. 


Bron: Jan J.B. Kuipers, 'De erfenis van Droste.' 
In: id., De juiste verkeerde verbanden (4). Ballustrada 21(2007)1/2, 41-44.

‘Het in het grote Gouden Paviljoen neergezette, precies nagemaakte kleine Gouden Paviljoen deed mij, zoals bij een kleiner heelal dat in een groter besloten is, denken aan een eindeloos voort te zetten reeks van gelijkvormige beelden. Voor het eerst kon ik dromen. Van een volmaakt Gouden Paviljoen, maar veel en veel kleiner dan dit model; van een oneindig veel groter Gouden Paviljoen dan het werkelijke, zó groot, dat het bijna de hele wereld leek te omvatten.’

Juni 2006 trof ik ditzelfde effect aan in Manuel van Loggems aardige roman Mozes in Egypte (1960). Mozes is gevlucht uit Egypte wegens de moord op een slavenopzichter bij de Hebreeërs, en leeft nu als herder bij een verwante stam. Hij ‘wacht’ nog op zijn bestemming als redder van de Joden en zit op een avond aan een kleine plas, ergens bij een bron in de woestijn. Op het oppervlak van de plas ziet hij zijn gezicht weerspiegeld: ‘De ziel van de werkelijkheid dreef op de plas.’ Mozes buigt zich voorover en verbaast zich over deze weergave, ‘een soort diefstal van zijn wezen, zonder dat hij er armer van werd’. Hij ziet ook heel duidelijk ‘zijn pupillen en hierin weer zichzelf met de zekerheid, dat dit kleinere beeld dezelfde pupillen bezat met een nog kleiner beeld, weer met ogen die met zichzelf gevuld waren, steeds kleiner, tot de grenzen der oneindigheid’. Het is één van de sensaties, waarvan uiteraard de brandende braambos de belangrijkste is, die Mozes van zijn bestemming overtuigen en vervullen.


'Drosteïsering'


Twee romans met een religieus thema, tweemaal de rol van de oneindige herhaling, de voortzetting op andere, onbereikbare schaal. De ‘kracht van de reductie,’ meende ik in ’95, ‘heeft de neiging groter te worden naarmate de miniatuur kleiner wordt, tot de grens van de zichtbaarheid is bereikt. Het punt omega van die dubbele, paradoxale verwijdering doet microkosmos en macrokosmos in elkaar opgaan, maar drijft ze tegelijkertijd voorgoed uit elkaar.’

(tekst vervolgt onder afbeelding)

Vignet van de rubriek 'De juiste verkeerde verbanden' in Ballustrada.

Een belangrijk bestanddeel van de mythologische kracht van de ‘drosteïsering’ van de waarneembare werkelijkheid is kennelijk het evident illusoire karakter daarvan. We zien dat we doorgaan tot in alle eeuwigheid, dat we de oneindigheid overwinnen en bezitten door onze voortgezette of voortgeplante aanwezigheid tot in regionen die we niet meer vanuit het ‘moederlichaam’ kunnen peilen – en hierdoor weten we tegelijkertijd dat we bij ons eigenlijke ‘zelf’ zijn achtergebleven, dat de bevrijding en de overwinning van de beperking van ruimte en tijd een feit is waar je niets aan hebt

De ouden hadden dit al volledig door. Godsdiensthistoricus W.B. Kristensen: ‘Het beeld is de geestverschijning van het origineel, een geestelijk wezen, dat niet in onze wereld thuishoort. Hij die zijn eigen beeltenis in de spiegel aanschouwt, ziet zichzelf als een geest, los van de lichamelijke gebondenheid, dus als een gestorvene. Zo hebben de verschillende volken over de gehele wereld het opgevat; dat verklaart de wijd verspreide angst voor een spiegelbeeld: dat betekent of brengt de dood.’

Schipbreukelingen van onze eigen Verenigde Oostindische Compagnie – vermoedelijk de eerste westerse kolonisten van Australië - hebben aan den lijve ondervonden wat het is om een verwrongen spiegelbeeld te zijn: veilig aan wal gekrabbeld aan de westkust van dit onbekende continent werden ze door de Aboriginals als geesten van onlangs gestorvenen beschouwd en aan de verkommering overgelaten of zelfs ‘opnieuw’ gedood. De ‘tweede dood’: de definitieve.


Boerenbedrog


Het universele bodembesef waaruit de mythe – het Verhaal - zich, als uit het moeras, aan zijn eigen haar omhoog trekt is het begrip dat alles één is, dat de wand tussen ik en niet-ik een spiegel is, boerenbedrog. Maar het is nu eenmaal het enige bedrog dat we hebben, en waaraan we de kostbare schijn van onze aanwezigheid en identiteit te danken hebben. We moeten blijven liegen en vooral blijven zeggen dat we liegen: de leugen met open vizier.
 


Geen opmerkingen:

Een reactie posten