woensdag 16 juni 2021

Het wonderbaarlijke Poeder van Sympathie

In de latere negentiende eeuw kon je bij de Middelburgse apotheker Van der Harst aan de Pottenmarkt een medicijn halen, dat in een loopbaan van twee eeuwen steeds wonderbaarlijker eigenschappen toebedeeld had gekregen. ‘Poeder van sympathie’ heette dit goedje; het bestond vooral uit kopersulfaat en diende oorspronkelijk om wonden te genezen.


Bron: Jan J.B. Kuipers, 'Het poeder van sympathie', Provinciale Zeeuwse Courant 13 februari 2006 (rubriek ‘Even Omzien’).

Aan wondermiddelen was in het verleden geen gebrek. Een door de Middelburgse arts J.C. de Man in december 1859 uitgeschreven enquête tot peiling van ‘vooroordeelen en bijgeloovigheden’ in Zeeland biedt een mooi staal van de medische folklore in het Zeeland van de negentiende eeuw. Naast amuletten als mollenpoten en ‘doodstanden’, toverkruiden als de champignon (!) en natuurlijk het klavertje vier, werd in de beantwoording van de enquête vaak melding gemaakt van het ‘poeder van sympathie’, ook verbasterd tot poeder van Sinte Patie. 


Het poeder werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw in de Noordelijke Nederlanden geïntroduceerd door de Britse zeeheld, arts, diplomaat, alchemist en filosoof Sir Kenelm Digby (1603-1665), wiens medische experimenten naar verluidt ook het leven kostten aan zijn innig geliefde en beeldschone echtgenote Venitia, die hij een schoonheidskuur liet ondergaan. Het letterkundig tijdschrift De Gids noemde Digby in 1837 dan ook ‘een dier dwazen, die, zoo als Sancho zou zeggen, hun brood nog blanker willen hebben dan het witste meel’. Misschien een al te geringschattende karakterisering van zo’n universele geest als Kenelm Digby.

 

Genezing op afstand

 


Het poeder van sympathie of pulvis sympatheticus werkte op een eigenaardige manier. Het moest op verband worden aangebracht, waarin etter of bloed van een wond was getrokken. Dit verband werd vervolgens door de genezer bij zich gehouden, en van tijd tot tijd met wat nieuw poeder bestrooid. Zo genas de wond, al bevond de patiënt zelf zich op verre afstand.

Zoals de naam al zegt was het sympathiepoeder een exponent van de zogenaamde sympathieleer, die uitging van nauwe samenhang tussen alle verschijnselen. Het menselijk lichaam was in deze, typisch renaissancistische visie een afspiegeling van het heelal, zoals ook elk deel van het menselijk lichaam de wezenlijke hoedanigheden bezat van het gehele lichaam. Dit is eigenlijk het magische principe bij uitstek. Met een deel kon je het geheel genezen, maar ook vernietigen. Wanneer de bezitter van bovengenoemd verband dit bijvoorbeeld in het vuur hield, viel de patiënt naar zeggen ten prooi aan verschrikkelijke pijn, als van een brandwond.

Wondermiddel tegen alles


Geen wonder dat apotheker Van der Harst aspirant-kopers altijd eerst tot ‘betere gedachten’ probeerde te brengen, alvorens het poeder over de toonbank ging. Want het spul werd gaandeweg voor van alles gebruikt. Tegen kiespijn en neusbloedingen, en buiten de medische sfeer als een algemeen wondermiddel. Als je het mes bemachtigde waarmee een moord was gepleegd, hoefde je er maar wat van het machtige poeder op te strooien om de dader ondraaglijke pijn te bezorgen, zodat hij zich wel moest aangeven. Ook kon het poeder worden gebruikt om voor de militie afgekeurd te worden, om een prijs te halen bij het ringrijden, tegen beheksing en zelfs om onzichtbaar te worden.

Reuma


In de kletspraatsfeer van het volksgeloof kreeg het poeder steeds grotere kwaliteiten toegemeten. Volgens de mondelinge overlevering kon het alleen door tovenaars worden bereid, die het trouwens ook gebruikten om de room van andermans melk te halen.

Belladonna of wolfskers
De schemerige faam van het pulvis sympatheticus bleek echter niet bestand tegen de dageraad van de moderne geneeskunde. Het poeder van sympathie verdween dus van het medische en folkloristische toneel. Maar zijn hoofdbestanddeel kopersulfaat behield ook in de twintigste eeuw een zekere roep (men noemde ook ingrediënten als belladonna, doornappel en dolle kervel). 

Het personage Van Schoonbeke in Willem Elsschots roman Kaas (1933) was gebaseerd op de excentrieke Antwerpse advocaat De Bruyne, die steevast met een koperen ketting rond zijn middel liep. De Bruyne leed waarschijnlijk aan jicht en was volgens Elsschots kleinzoon Willem Dolphyn ‘rotsvast overtuigd van de geneeskracht door afzetting van het kopersulfaat, een geloof dat men ook terugvond bij oude zeelui die daarom een koperen ring droegen die als oorbel functioneerde’. De laatste resten van oud bijgeloof? Nee hoor, ook nu zijn er nog volop armbanden met koperen binnenkant in de handel tegen reuma en artritis.

En verder...

Apotheker Van der Harst speelt in een ook een rol in mijn verhaal 'Een man van zijn woord' in de bundel Lovecraft in de polder (zie deze post). Het boek is nog altijd te bestellen!

zaterdag 5 juni 2021

Bouwoffers en bovennatuurlijk dierengedrag

Spinnen die 's ochtends, 's middags en 's avonds verschillend onheil aankondigen, zwarte en witte spookkatten, heksende buurvrouwen en opvallend rondhangende eksters, bouwoffers en adellijke honden die brood eten, een schip vol katten dat in één nacht naar Indie en terug voer... En waarom een varkensbotje in je broekband? Meegewerkt aan een podcast over mummiekat Gries in de Grote Kerk Veere: 

Gries de mummiekat - #2 Bouwoffers en bijgeloof

Het programma valt hier te beluisteren.

Gries de mummiekat | foto H.M.D. Dekker


Aflevering 2 gaat in op de rituelen en het bijgeloof rondom (huis)dieren in Nederland maar ook elders in Europa. De functie van katten is altijd al geweest om muizen en ander kwaad buiten de deur te houden en ze eindigden soms ook net als de 15de-eeuwse mummiekat Gries als bouwoffer. Ook ná hun negende leven waren zij vaak belast met het afweren van het kwaad. Katten en ook andere (huis)dieren komen in vele mythen, verhalen en overleveringen voor. Je hoort er alles over in deze podcast.

donderdag 3 juni 2021

NEELTJE JANS (en 110 andere plekken)

03-06-2021, NEELTJE JANS, na 13:00 uur. Drukke graaf- en bouwwerkzaamheden voorbij het westelijke hoofd van de grote 'baai' met hangcultuur ten westen van het Topshuis. Herrie van een torenhoge windmolen. Het bezoekerscentrum in het Topshuis is nog dicht. Corona. Het Parelpad (1,5 kilometer) is afgesloten in verband met mysterieuze werkzaamheden. Een fietsende Duitse clan rijdt verkeerd en keert luidruchtig weerom. Oma met knotje, kleinzonen, meisjes met dijen die het fietsen makkelijk tot Mannheim volhouden. Bij het loket van het terras van Proef Zeeland staat een geduldig maar volhardend rijtje dorstige mensen. De harige bastaardsatijnrupsen vormen nog steeds een gevaar, blijkt uit het oude vertrouwde waarschuwingsbord bij het Topshuis. Jeuk, huiduitslag, irritatie aan ogen en luchtwegen. Het is warm.

foto JJB Kuipers


Lees meer over Neeltje Jans, Proef Zeeland en 110 andere plekken in Zeeland in:

111 plekken in Zeeland die je gezien moet hebben




woensdag 26 mei 2021

Ontdekking van de jeugd in Zeeland (2)

 Bill Haley vanuit de mist


Kijk hier voor 'Ontdekking van de jeugd in Zeeland (1)'

De ‘losmaking’ van de Nederlandse en Zeeuwse jeugd uit de benauwende cocons van traditie en conventie was overigens al in de eerste decennia van de twintigste eeuw begonnen, met name door de opkomst van de nieuwe zuil van het socialisme en de introductie van bioscoop en radio. Zeeland, een gewest zonder grootstedelijke kwaliteiten en over het algemeen prat gaand op zijn reputatie van gezagsgetrouwheid en traditionalisme, kwam in 1954 zelfs onverhoeds in de voorhoede van de telecommunicatie terecht. Dit jaar viel namelijk het besluit dat er naast de bestaande televisiezender in Lopik nog vier TV-zenders in ons land moesten komen: in Roermond, Markelo, Appelscha-Smilde – én in Goes. Hierdoor werd eindelijk de ontvangst van TV-uitzendingen in heel Nederland mogelijk. Drie jaar later was de Goese zender klaar. Hij werd in gebruik genomen op 10 december 1957.


(Dit is een fragment uit: Brommers, gitaren en spandoeken, 2005)

‘In 1957 hadden we televisie in ons gezin,’ zegt Tom Rentmeester (1947) uit Ovezande. ‘In 1958 op een mistige avond kunnen we zelfs een Duitse zender ontvangen, plotseling staat hij daar: Bill Haley And His Comets in een sportzaal op het podium van een boksring met een echte haan op de touwen… sensationeel! Het beeld was slecht, het geluid was slecht, maar we hadden hem in levende lijve zien swingen op de buis.’


Nieuwe TV-zenders, 1954
De ‘debiliserende’ en smaakverdovende werking die aan het fenomeen televisie al vrij snel na zijn inburgering werd toegeschreven, was zeker niet van toepassing op de beginjaren, ondanks het gebrekkige en veelal knullige aanbod. TV was aanvankelijk werkelijk een nieuw venster op de wereld. Het was vooral de (zwartwit)televisie die korte metten maakte met regentenmentaliteit en provincialisme, schreef A.J. van der Staay in 1966. 

‘Al klinkt in interviews de eerbied voor de gezagsdrager en in het niet-aansnijden van bepaalde onderwerpen iets ervan na, toch blijft het een feit dat de traditionele afstand tussen binnenskamers en erbuiten, tussen kiezers en gekozenen, tussen elite en bevolking, hoofdstad en provincie, tot huiskamerproporties is teruggebracht.’ Alle waterscheidingen vielen weg door de TV, aldus Van der Staay; er voltrokken zich complete revoluties in de gedachtengangen, ‘onderwerpen die enkele jaren terug volstrekt taboe waren, van ontzuiling tot homoseksualiteit, komen genadeloos van de beeldbuis.’


Een jaar na deze opmerkingen spatte de geruchtmakende uitzending van VPRO’s Hoepla! de huiskamers in, waarin Phil Bloom even een krant liet zakken (nota bene het protestants-christelijke dagblad Trouw) en zich naakt aan het volk vertoonde. Ze werd de meest besproken bloterik in de geschiedenis van de Nederlandse media. 

Ook in Zeeuwse huiskamers werd terdege kennisgenomen van Blooms tot de verbeelding sprekende gestalte. Het landelijke tumult leidde tot de annulering van een volgende uitzending met de Zeeuwse psychedelische groep Dragonfly.

Naar de film!


In de brave jaren vijftig was een dergelijke speelse provocatie natuurlijk nog ondenkbaar, zeker in Zeeland. De eerste reacties van overheidswege op tekenen van jeugdige opstandigheid en ‘ontworteling’, zoals op het vernielde Schouwen van na de Ramp, waren, naast adviezen tot verbetering van huisvesting en professionalisering van het jeugdwerk, oproepen tot herstel van het ouderlijk gezag en het gezin. Een beproefd maar gedateerd recept, dat zijn uitwerking steeds frequenter leek te missen. 

Want van een leien dakje ging het ook na deze mooie adviezen niet bepaald, zeker niet op Schouwen-Duiveland. Was in januari 1954 een grotere aandacht van de sociaal-maatschappelijke instellingen voor het hoognodige jeugdwerk aangekondigd, in juni berichtte de Provinciale Zeeuwse Courant dat de ontworteling van de jeugd op Schouwen-Duiveland als gevolg van de Ramp ‘zeer urgent’ geworden was. Oorzaak: de jeugd had geen zier te doen. ‘De rijpere jeugd verveelt zich,’ zei de krant, ‘en beschikt over teveel geld, hetgeen de baldadigheid onrustbarend doet toenemen.’ In de onderhandelingen over een te stichten jeugdcentrum onder toeziend oog van de Stichting Nieuw Schouwen-Duiveland zat niettemin geen enkel schot, hoewel het Rampenfonds hiervoor in principe 100.000 gulden beschikbaar had gesteld. 

Kijk hier voor 'Ontdekking van de jeugd in Zeeland (1)'


- wordt vervolgd -

Bron: Jan J.B. Kuipers, m.m.v. Henk Feij en Peter Urbanus, Brommers, gitaren en spandoeken. Vijftig jaar jong in Zeeland (Zaltbommel: Uitgeverij Aprilis, 2005), hoofdstuk 'De ontdekking van de jeugd in Zeeland' (Jan J.B. Kuipers)


***


CD VOL ‘LEEDVERMAAK’ KAREL & DE BOSWACHTERS:

Het is overal even erg


zondag 18 april 2021

‘Mysterieus Middelburg’ stopt ermee

Na vijf seizoenen stopt schrijver en ex-stadsdichter Jan J.B. Kuipers met zijn stadswandeling Mysterieus Middelburg. Kuipers: ‘Vijf jaar vind ik genoeg voor zo’n project. Ik twijfelde nog, maar de steeds maar verlengde coronamaatregelen gaven de doorslag. Je moet met kleinere groepen dan normaal wandelen. Bovendien was er de avondklok en het gedoe rondom de 1,5 meter. Het is mooi geweest.’



Mysterieus Middelburg was een tocht langs ‘Griezel & Groteske, Sagen & Schavotten, Horror & Historie’. De route voerde door het noordelijk en westelijk deel van de Middelburgse binnenstad langs pestlijders en gehangenen, een wonderhostie, geesten en moordenaars en de Middelburgse toegang tot de onderwereld. 

De stokoude geschiedenis werd afgewisseld met pijnlijk recente verhalen, zoals het beruchte hoofd in het bushokje (1990).

(foto H.M.D. Dekker)


donderdag 8 april 2021

Ontdekking van de jeugd in Zeeland (1)

Je kon het niet langer negeren, in het jaar 1955: de jeugd was anders geworden, mondiger en rijper dan vroeger. Dat een onbeduidende countryzanger, Bill Haley, in dat jaar met het lawaaiige en in een vreeswekkend tempo gespeelde nummer Rock around the clock een eerste plaats in de hitlijsten in de Verenigde Staten behaalde, dáárvan nam men in Zeeland geen notitie. Hier worstelde men met de nasleep van de Februariramp van 1953, met de wederopbouw, het Delta- en het Drie-Eilandenplan, en met de grootschalige reconstructie van Schouwen-Duiveland.


(Dit is een fragment uit: Brommers, gitaren en spandoeken,2005)


Zeeland stond aan de vooravond van grote veranderingen, en dat alles had een even grote uitwerking op de Zeeuwse jeugd. ‘De jongeren reageren anders dan wij ouderen,’ stelde de Goese predikant H.M. Strating vast in een vraaggesprek met de Provinciale Zeeuwse Courant van 3 augustus 1954. Strating was voorzitter van de Hervormde Jeugdraad. ‘Daaraan merk je dat er ook in de Zeeuwse jeugd iets van dat moderne levensgevoel is gevaren, iets dat misschien wijst in de richting van het existentialisme. Doch ik betwijfel of het een stap achteruit is.’ En, na enige aarzeling: ‘Nee, onze jeugd is eerlijker in menig opzicht dan de oudere generatie.’

De wereld was kleiner geworden, meende Strating. En de jeugd van 1954 was wereldwijzer dan de kinderen van vroeger. ‘Wij hebben nog met een kristalontvangertje zitten peuteren,’ herinnerde de predikant zich, ‘en keken onze ogen uit naar een auto. Maar nu herkent een peuter van vijf jaar al van ver een automerk…’

De welwillende zielenherder sloeg met zijn uitlatingen de spijker op de kop. De wereld was dankzij de radio en alle andere ontwikkelingen op het gebied van telecommunicatie en vervoermiddelen inderdaad een stuk kleiner geworden: absolute voorwaarde voor het ontstaan van een uiteindelijk mondiale popcultuur waarin trends razendsnel gecommuniceerd en overgenomen konden worden. 

De kennismaking met Duitse bezetters en deels van overzee afkomstige bevrijders, de evacuaties ten gevolge van de Walcherse inundaties in 1944 en de Ramp van 1953 hadden bovendien het vertrouwde wereldbeeld flink door elkaar geschud, de horizonten verruimd en verwisseld. Communicatie betekent altijd ook vervreemding: de vertrouwde zuilen, waarin Nederland generaties lang verdeeld was geweest brokkelden af, de snelle naoorlogse stijging van het welvaartspeil (in 1954 werden loonstijgingen van tien procent genoteerd) maakte ruimere consumptie mogelijk om een eigen identiteit te kunnen ontwikkelen én tonen.

De jongere was in het midden van de jaren vijftig kandidaat-volwassene áf. Niet langer was de adolescent een volwassene in de dop, iemand die snel een beroep moest leren en geruisloos bij de juiste levensovertuiging en kerk diende te worden ingedeeld. Hij of zij maakte vanaf nu deel uit van een categorie op zich. ‘Jong zijn’ was een doel geworden. Plotseling was iedereen zich sterk bewust van de kloof tussen de generaties. Die was er altijd al geweest, maar leek nu dieper en breder dan ooit.

De jeugd was ontdekt.

- wordt vervolgd -

Bron: Jan J.B. Kuipers, m.m.v. Henk Feij en Peter Urbanus, Brommers, gitaren en spandoeken. Vijftig jaar jong in Zeeland (Zaltbommel: Uitgeverij Aprilis, 2005), hoofdstuk 'De ontdekking van de jeugd in Zeeland' (Jan J.B. Kuipers)

maandag 22 maart 2021

‘Een gematerialiseerde vorm van muziek’

CULTUURGESCHIEDENIS EN NATUURLIJKE HISTORIE VAN DE TRAAN


Tranen vloeiden sinds de dageraad van het menszijn. De oudste geschreven bron waarin van huilen wordt gewaagd, dateert echter ‘pas’ uit de veertiende eeuw voor Christus. Het zijn de Ras-Sjamra-teksten uit Noord-Syrië: een collectie kleitabletten uit de stad Ugarit. De tabletten bevatten een verhaal over de dood van de god Baäl. Zijn zuster Anath weende hevig bij het vernemen van zijn dood, en ‘dronk tranen als wijn’. Die eerste vermelding behelst al een belangrijke paradox van het huilen waarmee Tom Lutz zich in Een geschiedenis van de traan uitgebreid bezighoudt, namelijk het verwarrende genot dat expressie van je verdriet kan teweegbrengen.


Bron: Jan J.B. Kuipers, “Een gematerialiseerde vorm van muziek”; 
Tom Lutz: Een geschiedenis van de traan. Leesidee 7(2001)5, 396-397.


Zeeën van tranen zijn sinds de Oudheid vergoten, en meren van inkt hebben de meest uiteenlopende auteurs sindsdien aan de geheimzinnige achtergronden en kwaliteiten van het wenen gewijd. Socrates wist het al: droefheid was een pijn van de ziel zelf, maar ook vol intens genot. Verdriet brengt tranen voort, maar de bevrijdende actie van het huilen veroorzaakt vreugde, zelfs wellust. Dat laatste besef bracht in het West-Europa van de latere achttiende eeuw een ware tranencultuur op gang, met Goethe’s romanpersonage Werther als grootste huilebalk. De verheven vreugde die men destijds ervoer bij het menigvuldig plengen van tranen wekte ruim een eeuw later aanzienlijk plattere vrolijkheid op.

Die meer prozaïsche kijk ging aan het eind van de negentiende eeuw gepaard met belangstelling voor de biologische, fysiologische en psychologische voorwaarden van het huilen. Deze benaderingen kwamen vooral uit de hoek van de jonge wetenschap van de psychologie, en met name van een nog jongere loot van die stam, de psychofysiologie. Zo kwam men tot de ontdekking dat er niet één, maar verschillende soorten tranen zijn, van verschillende samenstelling. De Californische onderzoeker Robert Brunish stelde in 1957 bijvoorbeeld vast dat ‘emotietranen’ een hoger eiwitgehalte hebben dan ‘irritatietranen’ (veroorzaakt door de wind bijvoorbeeld) en dat de eiwitverhoudingen zelf in de verschillende soorten tranen óók weer verschillend waren. 

Alle wijsgerige bespiegelingen en klinische onderzoekingen ten spijt, lijkt de traan anno 2001 nog even geheimzinnig en multi-interpretabel als altijd. De menselijke uniciteit van het op emotionele aandoening gestoelde huilen lijkt wel vastgesteld, maar de fysiologische functie van de excretie van traanvocht is nog allerminst eenduidig bepaald.

Tom Lutz, verbonden aan de universiteit van Iowa, heeft niettemin de taak op zich genomen een zo breed mogelijke historie van de traan te schrijven - inclusief de geschiedenis van het psychofysiologisch onderzoek naar het huilen, een inmiddels al even onoverzichtelijk terrein als de ‘algemene’ geschiedenis en culturele antropologie van de traan. 

Het enorme onderwerp is door de auteur eerder typologisch dan chronologisch aangepakt. Na een inleiding die kriskras door de geschiedenis, de verschillende contexten en interpretaties van het huilen voert, worden achtereenvolgende hoofdstukken gewijd aan auteurs en tradities betreffende het huilen, de lichamelijke aspecten ervan, de psychologie van het huilen, het verschillende huilen van mannen en vrouwen, zuigelingen en kinderen, door antropologen bestudeerde ‘treurculturen’, diverse functies van het huilen (wraakzucht en escapisme bijvoorbeeld) en de rol van tranen in (populaire) fictie.

Wat in al deze deelbenaderingen opvalt en ietwat stoort, is de ‘kralenketting’-aanpak van de auteur. Steeds springt hij van de ene periode over naar de andere, van literaire auteur naar B-film, van klassieke mythologie naar moderne antropologie. Vruchtbaar als deze benadering kan zijn voor het herkennen van algemene karakteristieken en dwarsverbanden, wekt zij ook irritatie doordat een duidelijke afbakening van het behandelde (deel)terrein ontbreekt, en hoofdlijnen van het betoog vaak ver te zoeken zijn.

Een eigen, ‘waardenscheppende’ visie van Lutz komt in Een geschiedenis van de traan ook niet naar voren. Zelfs de conclusie, met de fraaie titel ‘Het stelpen der tranen’, biedt behalve het in kort bestek herhalen van eerder uitgewerkte thema’s wéér nieuwe feitjes en auteurs die zich ooit het hoofd braken over de traan. Wel wordt de neiging van Lutz duidelijk om tranen (en emoties) te beschouwen als cultureel bepaald. Sterk geritualiseerde rouwgebruiken en uiteenlopende sociale situaties waarin bij verschillende culturen het huilen als gewenst of totaal ongepast wordt beschouwd, brengen hem tot die visie. ‘Emoties worden aangeleerd in de interactie met anderen,’ aldus Tom Lutz. ‘Dat veronderstelde Charles Darwin al in de jaren zestig van de negentiende eeuw, toen hij schreef dat de bewoners van de Sandwich-eilanden de gewoonte hadden aangenomen om te huilen van vreugde.’

De sociale aspecten van huilgedrag zijn evident. Iedereen kan tijdens begrafenissen waarnemen hoe de ene huiler de andere aansteekt. Emoties beschouwen als een soort illustratie van sociale functies en de cultuur waarin men verkeert, is echter een drastisch reductionisme dat men buiten de kringen van sociaal-wetenschappers niet tegenkomt. Dit heeft misschien ook te maken met het feit dat werkelijk begrip van de emotie meer is dan verstandelijk kennen, omdat begrip en kennis hier niet kunnen losstaan van de ervaring zelf. 

Beschrijvingen van het fenomeen van de traan die de grootste indruk maken komen dan ook niet van vakspecialisten, maar van auteurs uit de letterkundige en cultuurfilosofische hoek. E.M. Cioran bijvoorbeeld, die óók weer terugkomt op het genotsaspect van het huilen. Tranen schenken ‘zalige vergetelheid’ stelt hij, omdat het ‘extatisch vuur’ dat door het huilen wordt veroorzaakt elke vorm van intellectuele activiteit vernietigt. In navolging van Nietzsche beweert Cioran: ‘Tranen zijn een gematerialiseerde vorm van muziek’.

Prachtig geformuleerd. Maar toch haalt de lezer na alle meningen en beschouwingswijzen in Lutz’ caleidoscoop van de traan opgelucht adem bij de simpele vaststelling van een moderne onderzoeker dat er maar één soort emotietranen is, namelijk tranen van verdriet. Zelfs vreugdetranen behoren tot die categorie, omdat ze gewekt worden door de herinnering aan verleden leed, of de angst voor de pijn die onvermijdelijk op de vreugde moet volgen. Ook dit is natuurlijk weer een interpretatie, maar één die het dichtst bij het ‘gezond verstand’ staat en daarom direct aanspreekt.

Een in de loop van de tijd ook veelbesproken aspect is dat van de traan als wapen, als middel van overreding of zelfs van emotionele terreur. Een Chinese legende brengt de wrekende macht van tranen ondubbelzinnig naar voren. Bij het bouwen van de Grote Muur kwamen talloze geronselde arbeiders om het leven. Een jonge vrouw kwam haar man opzoeken, die als dwangarbeider was gestorven en begraven onder de muur. Toen ze dat nieuws hoorde barstte ze uit in tranen, huilde dagenlang aan één stuk. Veel arbeiders werden aangestoken en huilden mee. Zo ontstond een gigantische tranenvloed, die meer dan driehonderd kilometer van de muur wegspoelde.

Ook dit lezen we in Een geschiedenis van de traan. Het boek biedt een uitgestrekt, ietwat rommelig magazijn van citaten, schrijvers, onderzoeksmethoden en benaderingen. De lezer verdwaalt er makkelijk in. Maar de rijke inhoud kan met behulp van een uitgebreid register op eigen kompas worden benaderd. En dat stelt de lezer in staat tot nieuwe, authentieke bespiegelingen. De auteur moedigt deze ook aan. ‘Wie zal de geschiedenis van de traan schrijven?’ vraagt hij aan het eind van zijn boek met Roland Barthes. ‘Die schrijven wij allemaal samen.’


Tom Lutz, Een geschiedenis van de traan (Amsterdam 2001); vert. van The natural and cultural history of tears.





Het wonderbaarlijke Poeder van Sympathie

In de latere negentiende eeuw kon je bij de Middelburgse apotheker Van der Harst aan de Pottenmarkt een medicijn halen, dat in een loopbaan ...