maandag 13 september 2021

En weer bleef Eekhoornstaartstad ongezien

Met ‘De man die Eekhoornstaartstad nooit zag’ keert Jan Kuipers in zijn fantastiek terug naar de pop-SF en de sfeer van zijn vrolijke maar gelaagde mythologische verhalen van decennia geleden. ‘Eekhoornstaartstad’ is te lezen in de jongste editie van het jaarboek Ganymedes (pag. 88-111). Ook zijn gedicht 'Ik had mijn oude Batmanpak aangetrokken' is hierin opgenomen (pag. 202-203).


Het jaarboek wil voorzien in de algemeen geaccepteerde, evenwichtige staalkaart van het beste dat de Nederlandstalige fantastische literatuur voortbrengt. Ooit was het een uitgave van Bruna, sinds jaar en dag zwaait de Stichting Fantastische Vertellingen de scepter over dit almaar uitdijende verhaalimperium.

In de jongste editie zijn verhalen en gedichten te vinden van (in alfabetische volgorde):

Joke Adam, Annette Akkerman, Guido Eekhaut, Rob Geukens, Mike Jansen, Pascal de Hoop, Johan Klein Haneveld, Jorrit de Klerk, Jan J.B. Kuipers, Oxana Langbeen, Paul van Leeuwenkamp, Ruben van Luijk, Remco Meisner, Max Moragie, Marcel Ozymantra, Isabelle Plomteux, Jan Roosen, Steven Standaert, Tais Teng, Reinder Veelinx, Charles van Wettum, Reinold Widemann en Bart de Wolf.

Bestel HIER voor € 9,95. Meer info is hier te vinden.

Zoals elk jaar toont de cover een schilderij van de hand van wijlen ‘Ganymedes-roerganger’ Vincent van der Linden ('Emigration of a Tortoise').

Ganymedes-21; samengesteld door Paul van Leeuwenkamp & Remco Meisner; Rare Boekjes-reeks deel 58; ISBN 978-90-78499-54-1; 378 blz.; 1e druk 2020; uitg. Stichting Fantastische Vertellingen; omslagillustratie Vincent van der Linden; omslagontwerp Ingrid Heit; bio-/bibliografieën van de gepubliceerden. 


vrijdag 27 augustus 2021

'11 van de 111’ in Bibliotheek Terneuzen

Foto-expositie van Heleen M.D. Dekker


Tot en met 29 september aanstaande exposeert Heleen M.D. Dekker foto’s uit 111 plekken in Zeeland die je gezien moet hebben in Bibliotheek Terneuzen (Oostkant 1) tijdens openingsuren. Deze expositie ’11 van de 111’ hangt samen met de tweede editie van dit boek bij Uitgeverij Thoth, een herziene uitgave met 50 nieuwe plekken en tips.

Scheldeboulevard, Terneuzen (HMD Dekker)


Heleen Dekker maakte het boek samen met schrijver Jan J.B. Kuipers, die tientallen boeken over Zeeland publiceerde. De publicatie behandelt 111 onverwachte, maar ook een aantal bekende locaties in de provincie. Zij maakt deel uit van een reeks van ‘111 plekken’-boeken, die Nederlandse en Belgische steden en regio’s beschrijven vanuit een eigenzinnig en persoonlijk perspectief. Ze bieden insidertips en willen ‘andere wegen’ inslaan, weg van de toeristenpaden. Ook de invalshoek of compositie van de foto’s volgt dit eigenzinnige uitgangspunt.

Heleen M.D. Dekker werkte lang in de zorg. Daarnaast houdt zij zich al vele jaren bezig met documentaire en artistieke fotografie. Haar werk verscheen in vele tijdschriften en boekpublicaties. Haar eigen projecten omvatten onder meer ‘Kokend voedsel’, ‘Internationale toiletten’ en ‘Uit het keukenraam’.

Het boek is verkrijgbaar in de boekhandel of bij de uitgever.
Zie HIER de link naar de uitgevers- en bestelinformatie.

 111 PLEKKEN IN ZEELAND DIE JE GEZIEN MOET HEBBEN (tweede druk)



111 PLEKKEN IN ZEELAND DIE JE GEZIEN MOET HEBBEN (tweede druk)
AUTEUR(S) - Jan Kuipers | Heleen Dekker
TAAL - Nederlands
BINDWIJZE - Paperback
FORMAAT - 13,5 x 20 cm
OMVANG - 240 pagina’s
ILLUSTRATIES - 120 illustraties in kleur
VERSCHENEN - Maart 2020 (1e druk september 2015)
ISBN 978 90 6868 680 7
PRIJS € 16,95

woensdag 11 augustus 2021

Lezing Staats-Spaanse Linies, IJzendijke

Op vrijdagavond 10 september verzorgt Jan J.B. Kuipers in het Jeugdgebouw aan de Koninginnestraat 3 te IJzendijke een lezing over ‘De Staats-Spaanse Linies. Monumenten van conflict en cultuur’. De organisatie is in handen van museum Het Bolwerk, de aanvang is om 19:30 uur. Toegang: € 8,00 p.p., inclusief koffie en een drankje. Reserveren tot 2 dagen voor datum lezing (museum Het Bolwerk, 0117-301200, museuminfo@zeelandnet.nl).


Kuipers publiceerde in 2013 zijn gelijknamige boek, bij de voltooiing van een grensoverschrijdend project van onderzoek, restauratie en cultuur-toeristische ontsluiting van de Linies. De twee drukken van dit boek waren nog hetzelfde jaar uitverkocht.

Zowel de militaire als de algemene geschiedenis rondom de linies komen in de powerpointlezing aan bod, alsook bouwkundige aspecten en de ‘doorwerking’ van de linies in volksverhalen, anekdotes en de evolutie tot cultuurmonumenten. Een belangrijk deel van de presentatie behandelt de Opstand tegen Spanje c.q. de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), toen de linies ontstonden. Maar ook andere conflicten komen aan de orde, zoals de Spaanse en Oostenrijkse Successieoorlog in de achttiende eeuw. Geografisch richt de lezing zich vooral op Zeeuws-Vlaanderen.

Kruisdijkschans, 1692.

De Staats-Spaanse Linies omvatten bijna 450 objecten: forten, schansen, linies en vestingstadjes (zoals Hulst en Damme) in een gebied van zo’n 80 bij 40 kilometer aan weerszijden van de Belgisch-Nederlandse grens, tussen Knokke en Antwerpen. Een militaire raid van een Staats legertje in 1583 vormde de eerste aanzet. Die leidde tot het opwerpen van de Moffenschans bij Terneuzen: de eerste fortificatie die we tot de Staats-Spaanse Linies rekenen. Van de oorspronkelijke Moffenschans is niets meer over, in tegenstelling tot zeer veel andere elementen en werken, die we vandaag de dag al of niet gerestaureerd in het landschap aantreffen.


Jan J.B. Kuipers (1953) publiceerde tegen de tachtig boeken, veelal over historische onderwerpen. Hij werkte naast zijn loopbaan als zelfstandig auteur decennia in de Zeeuwse archeologie en erfgoedwereld. Najaar 2020 verscheen bij WalburgPers zijn boek Vikingen. IJzeren eeuwen om de Noordzee. Een andere recente titel is 111 plekken in Zeeland die je gezien moet hebben (Thoth, 2e dr.; met foto’s van Heleen Dekker).

Boeken van deze auteur over verwante onderwerpen:

Willem van Oranje

Prins in Opstand


De discussie over leven, karakter en betekenis van Willem van Oranje (1533-1584) laait regelmatig op. De figuur van de ‘vader des vaderlands’ is nog springlevend. De Opstand tegen Spanje en de Reformatiegeschiedenis in de Nederlanden zijn niet denkbaar zonder deze prins van Oranje, die in zijn eigen tijd al voorwerp was van felle controverses. Oranje stond aan de wieg van de Noord-Nederlandse natie, maar deze ‘geboorte’ voltrok zich tegen zijn wil. Zijn pogingen om de scheuring van Noord en Zuid te voorkomen bleven vruchteloos. Willem was weliswaar een belangrijke actor in de ontwikkelingen van zijn tijd, maar ook iemand die daardoor werd meegesleurd en getransformeerd. Als elfjarige verhuisde de prins van de Dillenburg naar het Brusselse hof, centrum van een wereldrijk, om zijn opvoeding te voltooien. Het was zijn introductie op het historische toneel, waar zijn rol bepaald zou worden door een bloedig conflict dat de mythische duur van tachtig jaar bereikte. Van verdediger van de belangen van de hoge adel ontwikkelde Oranje zich tot tegenstander van de onverzoenlijke kettervervolgingen. Zo kwam hij pal tegenover zijn koning Filips II te staan. Gaandeweg veranderde Willem van een in luxe badende prins met lichtzinnige reputatie tot een quasi-armoedige martelaar voor een niet eens helder omschreven ideaal. De man die ooit zijn bruid Anna van Saksen tegemoet ging met 1100 ruiters en een fabelachtige bagagetrein, eindigde als een sober geklede, vroegoude en zieke grijsaard die zich qua uitmonstering nauwelijks onderscheidde van een Delftse burger. Drie broers waren gesneuveld, zijn fortuin was verdwenen. Na minstens zeven mislukte aanslagen maakte de fanaticus Balthasar Gerards een eind aan Oranjes turbulente bestaan. Willem van Oranje. Prins in opstand volgt het leven van de prins tegen de breed geschetste achtergrond van de Opstand en de scheiding van Noord en Zuid, die ook de meest dramatische periode van beide naties vormen.
Bestelinfo HIER
€ 29,95


De Beeldenstorm

Van oproer tot Opstand in de Nederlanden


De Beeldenstorm markeert het begin van de Opstand tegen Spanje, uitgevochten in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Aanleiding en kader waren religieus, reactie op de meedogenloze kettervervolgingen. Er speelden ook andere motieven: economische nood en politieke frustratie. Op enkele maanden Beeldenstorm volgden zes jaar schrikbewind onder Hertog van Alva. De Beeldenstorm presenteert het verhaal van 1566 in de veelkleurige context van de reformatiegeschiedenis.
Bestelinfo HIER
€ 19,99

maandag 2 augustus 2021

Ontdekking van de jeugd in Zeeland (3)

'Zo ben ik niet opgevoed!'

Kijk hier voor 'Ontdekking van de jeugd in Zeeland afl. 1 en hier voor afl. 2

Hoe vermaakte de ontzuilde of zich ontzuilende jeugd, die de hoede van het kerkelijk en politiek verenigingsleven was ontvlucht, zich in de jaren vijftig? Je hing rond op straat, ging naar sportwedstrijden – hoofdzakelijk voetbal -, bezocht de kroeg en ging nu en dan naar de film. Dat laatste in Zeeland veel minder dan elders: gemiddeld zo’n drie keer per jaar, tegen landelijk zes. In Drente en Friesland lag die frequentie echter nog lager.


(Dit is een fragment uit: Brommers, gitaren en spandoeken, 2005)

De protestantse Zeeuwse jeugd kon voorstellingen bezoeken van de Christelijke Film Actie, die in diverse dorpshuizen werden georganiseerd, of in nette horeca-instellingen zoals Hotel Walcheren te Koudekerke. En dan nóg kon een voorstelling niet doorgaan, als een van de plaatselijke commissies de te vertonen film had afgekeurd.

Ondanks alle voorzorgen ging het ook tijdens een voorstelling wel eens mis. In 1966 of ‘67 onderbrak amanuensis Geerse van de Chr. HBS en MMS te Middelburg, tot verbijstering van de massaal toegestroomde leerlingen en aanwezige docenten, een film met Doris Day waarin een onschuldige kerkhofscène zat met de gevleugelde woorden: ‘Dit is spotten met de dood. Zo ben ik niet opgevoed.’ Ook de avond was hiermee gestorven, want niemand anders kon of durfde de projector te bedienen.

Rock 'n' roll zonder geluid


Niet dat het een typisch Zeeuws of plattelandsverschijnsel was, die schromelijke 
bezorgdheid van lokale overheden ten aanzien van de handhaving van orde en goede zeden. De burgemeester van Apeldoorn verbood de film Rock around the clock (1956) voor drie dagen; relletjes waren het gevolg. In Gouda kwam de burgervader bij deze muziekfilm met een oplossing van verpletterende, en tegelijk haast vertederende naïveteit: hij liet het geluid weg! Tot zijn verbazing nam men hier geen genoegen mee, zodat de film alsnog ‘compleet’ werd gedraaid.

Ook in de Zeeuwse steden waren bioscopen allang een gevestigd begrip. Zo werd na het bombardement en de verwoesting van de Middelburgse binnenstad in mei 1940, de plaatselijke schouwburg aan het Molenwater (naast de Koepoort) ook gebruikt als bioscoop. Men wilde de film niet missen. In januari 1965 werd op dezelfde plek een nieuwe schouwburg geopend, maar toen kon de Middelburgse filmliefhebber allang terecht in twee andere bioscopen, de ‘City’ aan de Lange Delft en ‘Electro’ aan de Markt (tegenwoordig Tympaanplein).

Slenteren en brommer rijden


Niet alleen de jeugd zelf kreeg door de economische explosie van de jaren vijftig wat meer te besteden, er kwam ook meer geld beschikbaar om de Zeeuwse jeugd te begeleiden door middel van jeugdwerk en jeugdzorg. In 1956 werd de oprichting van een Jeugdraad aangekondigd, ter bevordering van de ‘vrije jeugdvorming’ en de jeugdzorg. De Raad vormde een sectie van de Stichting Zeeland en was een overkoepelend orgaan, waarin vertegenwoordigers van bijvoorbeeld de Katholieke en Hervormde Jeugdraad vertegenwoordigd waren. 

In tegenstelling tot wat de term ‘vrije jeugdvorming’ suggereert was het oogmerk van de Jeugdraad niet de bevordering der vrijheid, maar integendeel de binding van de jongeren aan hun woonplaats en het stimuleren van het verenigingsleven aldaar. ‘Te veel,’ aldus de kersverse Raad, ‘ziet men de jeugd voor het zoeken van ontspanning op vrije avonden wegtrekken naar de dichtstbijzijnde stad, waar zij vertier zoekt in de bioscoop en in geslenter.’ 

De mobiliteit van de brommerrijdende jeugd was een factor van belang in de zo gevreesde ontworteling; jongeren zagen er bijvoorbeeld totaal geen been in om vanuit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland een populaire bar in Kortgene te frequenteren, waarvoor men een tochtje met de pont naar en van het toen nog geïsoleerde eiland graag overhad.

De instuif rukt op


Het confessionele jeugdwerk trachtte op slimme wijze de zielen terug te houden die over de horizon van de vertrouwde levenssfeer dreigden te verdwijnen, al of niet op de brommer.
Men zette, zoals in Goes, een musical op touw met een bijbelse boodschap, en stichtte de ‘jeugdkerk’. Ook het verschijnsel van de ‘instuif’ rukte op. Hier ging het een stuk informeler toe dan op de traditionele jeugdvereniging, waar je strikt op tijd aanwezig moest zijn op de clubavonden, aangezien je anders het gebed of stichtend woord van de leider zou missen. 

Dergelijke avonden, zoals van de Christelijke Jongemannen Vereniging (CJV, aanvankelijk CJMV), begonnen met een gebed en eventueel een bijbellezing, waarna vaak een nuttig gedeelte volgde: een lezing of voordracht. Na de pauze was het tijd voor ontspanning en kwamen de spelborden en sjoelbakken op tafel. Ook werden er toneelstukken ingestudeerd voor een jaarlijkse uitvoering: altijd een bron van aanzienlijk vermaak.

- wordt vervolgd -

Bron: Jan J.B. Kuipers, m.m.v. Henk Feij en Peter Urbanus, Brommers, gitaren en spandoeken. Vijftig jaar jong in Zeeland (Zaltbommel: Uitgeverij Aprilis, 2005), hoofdstuk 'De ontdekking van de jeugd in Zeeland' (Jan J.B. Kuipers)


donderdag 29 juli 2021

Achterberg onder zijn zwerfkei

Begraafplaats Rusthof, Amersfoort/Leusden


foto H.M.D. Dekker, 17-07-2021

Bij een herhaalbezoek aan begraafplaats Rusthof op een fraaie zomerochtend attendeert de gratis beschikbaar gestelde folder ons op het graf van Gerrit Achterberg: afdeling 22, grafnummer 506. De ruim aanwezige rododendrons (nee, rooi er niet één!) maken het zoeken wat moeilijk, maar plotseling zie ik de zwerfkei liggen die dienst doet als zerk. Dat gaat vaak zo, als je iets zoekt en per se wilt vinden, wordt op een gegeven ogenblik je blik er als vanzelf naartoe getrokken. Vervolgens is er de zonderlinge sensatie van het onderaardse dat je in zich op wil nemen, misschien ook ingegeven door courante lectuur over de Romantiek, Novalis e.d. (Safranski, Romantiek). Wellicht een extra dosis vitamine B?

Achterberg ligt hier met zijn echtgenote Cathrien van Baak; hij verkeerde nog onder toezicht van justitie (hij had in 1937 zijn hospita vermoord) toen hij in 1946 met haar trouwde. In eerste instantie was Achterberg in het verkeerde graf gelegd. Nadat alle aanwezigen bij de teraardebestelling waren vertrokken, is de fout hersteld. Met hulp van Staatsbosbeheer haalde men uit Donderen de zwerfkei die nu op het graf prijkt. Harry Mulisch stelde voor om het kwatrijn 'Grafschrift' uit Osmose in bronzen letters op de kei te plaatsen. Hetgeen geschiedde:

Van dood in dood gegaan, totdat hij stierf.
De namen afgelegd, die hij verwierf.
Behoudens deze steen, waarop geschreven:
de dichter van het vers, dat niet bedierf.

Ze hebben trouwens kwade plannen met dit fantastische grafveld: bomen weghalen, meer licht. Jaja. Als zo’n sfeerrijke plaats iets niet nodig heeft, is het wel meer licht. Tanizaki wist het al (heb erover geschreven in ‘Steeds meer licht’ in Methoden tegen de helderheid). Het zullen wel bezuinigingen zijn, meer economie om meer doden te kunnen herbergen. 

Met Achterberg heb ik vooral te maken gehad via zijn (onbelangrijke) gedicht ‘Reimerswaal’ voor de documentatie van de literaire traditie rond de Zeeuwse verdronken geschiedenis. Ben verder absoluut geen Achterbergkenner. De aansporing op het bankje uit 2020 vóór het grafmonument, dat het ‘laatste wat gij doet’ moet zijn het leggen van alle gedichten ‘aan mijn voet’ komt bijna komisch over.  Men heeft wel wat anders aan zijn hoofd bij het laatste wat men doet, stel ik me voor.


foto H.M.D. Dekker, 17-07-2021


donderdag 15 juli 2021

Joop Buma overleden

Gisteravond (14 juli) overleed in zijn woonplaats Middelburg Joop Buma, in 2009/2010 stadsdichter van Middelburg. Hij zou in augustus 90 zijn geworden.

Buma publiceerde vele bundels, de meeste via zijn eigen uitgeverijtje Mea Sponte. Dit was ook het kanaal voor veel bundels van de jaarlijkse poëziemanifestatie, georganiseerd door de Werkgroep Poëzie van de Kunst- en Cultuurroute Middelburg. Een klein legioen aan dichters werkte aan deze (thema)bundels mee in de loop der jaren. 

In een ver verleden verschenen onder meer ook kinderboeken van Joops hand.

Er viel heel wat te lachen met Joop Buma tijdens de manifestaties en vergaderingen van de Werkgroep Poëzie, maar hij kon ook zijn IJzeren Wil tonen als iets niet naar zijn zin ging.

Ik ontmoette hem voor het eerst in de jaren tachtig, toen hij regelmatig op het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten aan de Balans verscheen.

 De foto is gemaakt door Heleen Dekker tijdens de presentatie van mijn gevelgedicht 'Ostrea' op de hoek van de Sint-Joris- en Wagenaarstraat in Middelburg. Dat was in 2010, dus al tijdens zijn 'emeritaat', zoals Joop het graag uitdrukte. 

Rust goed, 'collega' Joop!



vrijdag 9 juli 2021

Kleurrijk en cartoonesk

TIGONIUS - Jan & Gert Kuipers; Stichting Fantastische Vertellingen; 2020; 213 blz.; € 5,95; ISBN 978-90-78499-80-3; omslagillustratie Gert-Jan van den Bemd; omslagontwerp Ingrid Heit; zetwerk & opmaak Remco Meisner

door Paul van Leeuwenkamp

Eerder verschenen in: Fantastische Vertellingen nr. 58, juni 2021

Tigonius heeft een kleurrijke, cartooneske omslag en dat is de juiste weergave van dit verhaal, dat nadrukkelijk wordt gepresenteerd als een zeer vroege samenwerking van de gebroeders Kuipers, eindelijk uit de kast gehaald, afgestoft en toch nog gepubliceerd, voorloper van Het spel om de regendanser (Verschijnsel, 2007). Al lijkt deze publicatie zich zo klein mogelijk te willen maken, de lotgevallen van de door de Heer uitverkoren Tigonius, centurion van de tempelwacht, blijven kleurrijk.

Bestel hier Tigonius

Het Gilde van de Heren God heeft het ontwerp van kandidaat Meetrecht goedgekeurd en vanaf dat moment mag ook hij zich Heer God noemen. Belangrijker: hij mag in sector QZ-744-2 zijn schepping realiseren: een mens met een vrije wil. Maar zijn project is vanaf het begin gedoemd te mislukken, want hij wordt opgezadeld met Salpetrus Satinski, een kandidaat die voor de elfde keer is afgewezen en waar de Raad geen raad mee weet. Ze wijzen hem in de nieuw bedachte functie van assistent-schepper aan de Heer God Meetrecht toe, met desastreuze gevolgen, want Satinski duikt onder en frustreert de schepping van Heer God Meetrecht. Wanneer duidelijk is dat zijn schepping is mislukt, moet Meetrecht zijn sector ontruimen. Alleen wanneer hij in de korte periode die hem nog rest er in slaagt ‘zijn mens zichzelf te laten bewijzen’, zal hij een nieuwe sector toegewezen krijgen. Meetrecht besluit één mens te kiezen om zijn gelijk te laten zien, zijn uitverkorene, en dat is de tempelwachter Tigonius.


Daarna volgt een Oud Testamentisch verhaal, vol slim bedachte verwikkelingen, dat vlot wegleest, ondanks de soms plechtstatige toon (bijvoorbeeld “gevoelen” in plaats van gewoon voelen) die hoort bij het Oude Testament. Een verhaal met een jaloerse, wraakzuchtige god, waarin niet van Sodom en Gomorrah wordt weggevlucht, maar de lezer het afstraffen van de stad, hier Japyri geheten, daadwerkelijk krijgt gepresenteerd. In de Bijbel worden de steden vernietigd omdat de inwoners slecht waren en "hun zonden ongehoord groot" (Genesis). Daartoe behoort ook het aanbidden van andere goden, en dat is wat in deze stad volop wordt gedaan. Maar door het slechte van de mens vooral bij de zichzelf verrijkende priesterklasse te leggen, draaien de gebroeders Kuipers het ook een beetje om. Geloof, religie, ze worden getoond in een vertekenende lachspiegel, ze wordt omgedraaid tot relativerende tegenpolen. Er kwamen niet drie wijzen uit het oosten, maar drie dwazen uit het westen. Halverwege het verhaal denk je even dat het in herhaling treedt, en aan het eind vraag je je af of er een deus ex machina uit de wietpijpen van de gebroeders is gezogen, maar dan realiseer je je dat het allemaal heel logisch in elkaar past. Misschien ontbeert het de personages aan diepgang, maar zij zijn dan ook op de eerste plaats de dragers van de actie, het doorzicht op de speelse ideeën van de gebroeders Kuipers.

Speels…

Ja, maar toch ook wat dieper…

 Tigonius is geschreven eind jaren zeventig van de vorige eeuw, toen de gebroeders Kuipers de puberteit al ontgroeid waren en rond waarden in de alternatieve jongerencultuur van popmuziek en psychedelica. Zo tegen hun dertigste. Het verhaal heeft de sfeer van die jaren, waarin het leven werd ingekaderd door het Christelijke bestel, niet alleen via de kabinetten die ons land regeerden, maar ook direct via school en kerk. De jongerencultuur was misschien wel vooral het afzetten tegen de regels die door de kerk werden opgelegd. Von Däniken beweerde dat de goden kosmonauten waren en schrijvers als Wolkers en ’t Hart bepaalden de sfeer in de Nederlandstalige literatuur met hun Gereformeerde trauma’s.

Wanneer twee vitale jongelingen zo uitgebreid over het geloof schrijven, want dat is wat ze met Tigonius hebben gedaan, vermoed je een streng gelovige opvoeding die tot diep in de gevoelige ziel van het opgroeiend kind heeft gegrepen. Maar toen ik Jan Kuipers daarover bevroeg, leek dat niet het geval: “gewoon ‘licht’ hervormd. Geen bijbel lezen. Wel zondagschool, met een boekje plus sinaasappel tgv Kerst.” En stoer memoreert hij: “Ik zag het doen en laten van al die dominees, onderwijzers en jeugdleiders en wist genoeg. Op simpele vragen over de incongruenties van hun leer vertoonden ze slechts schuimbekken. Op mijn twaalfde/dertiende komaf met het hele zootje gemaakt.” En: “De bijbel was vooral een retrospectieve fascinatie van broer Gert herinner ik me, zelf was/ben ik meer geïnteresseerd in algemene mythologie en heidendom.” Ja ja, in de loop der jaren wordt alles grijs en veraf.

Gert & Jan Kuipers, 
'na meer dan veertig jaar'
Na meer dan veertig jaar lijkt het breken met de overheersende cultuur van het Christendom wellicht makkelijk, maar ik denk dat het niet zo eenvoudig ligt. Ik vermoed dat het onbegrip van het kind dieper gaat en langer doorwerkt. Zo leidt het protestantisme makkelijk tot het gilde van de Heren God dat in het eerste deel van Tigonius wordt geschetst. Nederlands Hervormd, Gereformeerd, Remonstrant, Gereformeerd vrijgemaakt, Christelijk Gereformeerd, Hersteld Hervormde Kerk, Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB, Algemeen Doopsgezinde Sociëteit, Baptisten, Leger des Heils, Kerk van de Nazarener, Evangelische gemeenten, Pinkstergemeenten, Vrije Evangelische Gemeenten, Vergadering van gelovigen, Zevendedagsadventisten, Jehova's getuigen… Voor een kind hebben ze allemaal hun eigen god, zeker als vragen met schuimbekken worden beantwoord. En zo zijn er meer eenvoudige (als je het leest!) associaties, zoals het braakland voor het vagevuur.

Het zijn eigen bedenksels die voortkomen uit het kind dat je altijd blijft, maar met een concrete basis waar je geen macht over hebt. Op bladzijden 71 en 72, wanneer Tigonius in de Hemel is, wordt het allemaal kleurrijk verwoord. “Terwijl alle verschrikkelijke hemelbedenksels hem insloten, zongen de vliegwezens vrolijk: ‘Hij moet berecht. Tigonius moet berecht!’… ‘Tigonius is stout.’” En op dat moment duikt een oude vrouw op die zegt zijn moeder te zijn. “Mag moeder niet even rusten?” vraagt ze, met als gevolg dat “de Hemel weer met donderend geweld begon te schreeuwen”’Tigonius is stout. Mag moeder niet even rusten? ‘” Precies wat een kind in de door dominees en priesters overheerste wereld van de jaren zestig kon overkomen. En het leidt tot een begrijpelijke reactie: “Met een uitgeputte, overspannen giechellach sprong hij plots een eindje in de lucht en schreeuwde: ‘Niets, er is niets! Ga weg. Laat me met rust. Ksst, weg!’” Zoals Jan J.B. Kuipers “komaf met het hele zootje” maakte. En het werkt, want alle monsters en ook moeder verdwijnen. Alleen… niets verdwijnt echt helemaal, want: “De fladderende demonen lachten bloedstollend.”

Vanuit die Hemel gaat het verhaal van Tigonius, maar ook dat van Meetrecht, Satinski en Joachim de Wijze verder tot op bladzijde 206, in soms archaïsch, bijbels taalgebruik, met een kleurrijke humor. De ontknoping op bladzijde 206, de conclusie, geeft uiting aan de nihilistische levenshouding van de auteurs. Het geeft in religieus opzicht geen hoop, is in wezen nog steeds komaf maken met schuimbekkende dominees.

Elk boek heeft zijn eigen kwaliteiten, maar de uiteindelijke invloed wordt bepaald door kaders. Het kader van het oeuvre van de auteur(s), en vooral het kader van de lezer zelf; de boeken die hij daarvoor las, de mate waarin hij het werk van de auteur(s) kent, zijn persoonlijke verleden. Tigonius leest makkelijk weg, een kleurrijk tussendoortje. Maar het roept bij mij niet de neiging op om het te herlezen, nee, het roept de neiging op om Het spel om de regendanser te herlezen, waarvan Tigonius in het nawoord zo nadrukkelijk als voorganger wordt gekenschetst; het roept de neiging op om de Fantastische verhalenbundels van Jan J.B. Kuipers opnieuw te gaan lezen – Bannenfluister, hemelglas (1995), Hubake’s huis (2011), Houten trouw (2018) – op zoek naar eerdere optredens van Joachim de Wijze. En door een opmerking van Johan Klein Haneveld, dat “alle karakters in deze verhalen moreel niet lichtgrijs zijn, maar op zijn best donkergrijs, maar eerder zwart”, ook om de personages van de Kuipersen weer eens voorbij te laten gaan en een beeld te krijgen van hun mensbeeld.

 (Paul van Leeuwenkamp)

Stadsdichterstegels Middelburg naar opgang ZB

Zondag 4 juli is de nieuwe ‘eregalerij’ van stadsdichterstegels onthuld. Ze liggen nu op de klimmende entree van de Zeeuwse Bibliotheek (ZB) aan de Kousteensedijk in Middelburg. Voorheen lagen ze op het Koorkerkplein en nóg eerder op het Tympaanplein. Eén van de tegels is die van mij; ik was stadsdichter van Middelburg in 2005/2006.

 

Op het Tympaanplein lagen de tegels gedurende het zomerseizoen onder de stoelen en tafels van horecaterrassen. Op het Koorkerkplein werden ze kapotgereden door vrachtwagens. Daarom de verkassing naar het loop- en rolstoelpad van de ZB, het ‘huis van de taal’.

 



Foto's H.M.D. Dekker

dinsdag 29 juni 2021

Pluviertjes en ik

Onlangs verscheen de bloemlezing Pluviertjes en ik. Verzamelde gedichten over Domburg: een bloemlezing van gedichten over een bijzondere plaats. Cees Maas verzamelde honderden gedichten over Domburg en selecteerde de beste. Saar den Hollander maakte bij elk gedicht een illustratie. Uitgeverij De Hoge Hil verzorgde de uitgave.


Mijn gedicht Schimmen van zee staat op pag. 21. Het is eerder gepubliceerd op De Vrije Domburger, een website van - alweer - Cees Maas. Dat gebeurde in 2000, en Maas is dan ook ruim twintig jaar bezig geweest met het verzamelen van de gedichten over 'zijn' Domburg. Want, zo meldt het achterplat: 

'Domburg, de oudste badplaats van Zeeland, is veelvuldig bezongen door beroemde schilders, schrijvers en andere kunstenaars. Maar in de poëzie komt het stadje aan de Noordzee er bekaaid af. Tot nu.' 


Meer dan honderd zeer, matig en onbekende poëten bezingen de vele aspecten van Domburg in deze bundel. Om ze te ontdekken: ga op zoek naar deze verrassende bloemlezing. Waar? Ik zou het niet weten, maar wie 'm wil vinden zal 'm vinden.   

En de pluviertjes? Die komen uit het werk van J.C. van Schagen, wie anders?

woensdag 16 juni 2021

Het wonderbaarlijke Poeder van Sympathie

In de latere negentiende eeuw kon je bij de Middelburgse apotheker Van der Harst aan de Pottenmarkt een medicijn halen, dat in een loopbaan van twee eeuwen steeds wonderbaarlijker eigenschappen toebedeeld had gekregen. ‘Poeder van sympathie’ heette dit goedje; het bestond vooral uit kopersulfaat en diende oorspronkelijk om wonden te genezen.


Bron: Jan J.B. Kuipers, 'Het poeder van sympathie', Provinciale Zeeuwse Courant 13 februari 2006 (rubriek ‘Even Omzien’).

Aan wondermiddelen was in het verleden geen gebrek. Een door de Middelburgse arts J.C. de Man in december 1859 uitgeschreven enquête tot peiling van ‘vooroordeelen en bijgeloovigheden’ in Zeeland biedt een mooi staal van de medische folklore in het Zeeland van de negentiende eeuw. Naast amuletten als mollenpoten en ‘doodstanden’, toverkruiden als de champignon (!) en natuurlijk het klavertje vier, werd in de beantwoording van de enquête vaak melding gemaakt van het ‘poeder van sympathie’, ook verbasterd tot poeder van Sinte Patie. 


Het poeder werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw in de Noordelijke Nederlanden geïntroduceerd door de Britse zeeheld, arts, diplomaat, alchemist en filosoof Sir Kenelm Digby (1603-1665), wiens medische experimenten naar verluidt ook het leven kostten aan zijn innig geliefde en beeldschone echtgenote Venitia, die hij een schoonheidskuur liet ondergaan. Het letterkundig tijdschrift De Gids noemde Digby in 1837 dan ook ‘een dier dwazen, die, zoo als Sancho zou zeggen, hun brood nog blanker willen hebben dan het witste meel’. Misschien een al te geringschattende karakterisering van zo’n universele geest als Kenelm Digby.

 

Genezing op afstand

 


Het poeder van sympathie of pulvis sympatheticus werkte op een eigenaardige manier. Het moest op verband worden aangebracht, waarin etter of bloed van een wond was getrokken. Dit verband werd vervolgens door de genezer bij zich gehouden, en van tijd tot tijd met wat nieuw poeder bestrooid. Zo genas de wond, al bevond de patiënt zelf zich op verre afstand.

Zoals de naam al zegt was het sympathiepoeder een exponent van de zogenaamde sympathieleer, die uitging van nauwe samenhang tussen alle verschijnselen. Het menselijk lichaam was in deze, typisch renaissancistische visie een afspiegeling van het heelal, zoals ook elk deel van het menselijk lichaam de wezenlijke hoedanigheden bezat van het gehele lichaam. Dit is eigenlijk het magische principe bij uitstek. Met een deel kon je het geheel genezen, maar ook vernietigen. Wanneer de bezitter van bovengenoemd verband dit bijvoorbeeld in het vuur hield, viel de patiënt naar zeggen ten prooi aan verschrikkelijke pijn, als van een brandwond.

Wondermiddel tegen alles


Geen wonder dat apotheker Van der Harst aspirant-kopers altijd eerst tot ‘betere gedachten’ probeerde te brengen, alvorens het poeder over de toonbank ging. Want het spul werd gaandeweg voor van alles gebruikt. Tegen kiespijn en neusbloedingen, en buiten de medische sfeer als een algemeen wondermiddel. Als je het mes bemachtigde waarmee een moord was gepleegd, hoefde je er maar wat van het machtige poeder op te strooien om de dader ondraaglijke pijn te bezorgen, zodat hij zich wel moest aangeven. Ook kon het poeder worden gebruikt om voor de militie afgekeurd te worden, om een prijs te halen bij het ringrijden, tegen beheksing en zelfs om onzichtbaar te worden.

Reuma


In de kletspraatsfeer van het volksgeloof kreeg het poeder steeds grotere kwaliteiten toegemeten. Volgens de mondelinge overlevering kon het alleen door tovenaars worden bereid, die het trouwens ook gebruikten om de room van andermans melk te halen.

Belladonna of wolfskers
De schemerige faam van het pulvis sympatheticus bleek echter niet bestand tegen de dageraad van de moderne geneeskunde. Het poeder van sympathie verdween dus van het medische en folkloristische toneel. Maar zijn hoofdbestanddeel kopersulfaat behield ook in de twintigste eeuw een zekere roep (men noemde ook ingrediënten als belladonna, doornappel en dolle kervel). 

Het personage Van Schoonbeke in Willem Elsschots roman Kaas (1933) was gebaseerd op de excentrieke Antwerpse advocaat De Bruyne, die steevast met een koperen ketting rond zijn middel liep. De Bruyne leed waarschijnlijk aan jicht en was volgens Elsschots kleinzoon Willem Dolphyn ‘rotsvast overtuigd van de geneeskracht door afzetting van het kopersulfaat, een geloof dat men ook terugvond bij oude zeelui die daarom een koperen ring droegen die als oorbel functioneerde’. De laatste resten van oud bijgeloof? Nee hoor, ook nu zijn er nog volop armbanden met koperen binnenkant in de handel tegen reuma en artritis.

En verder...

Apotheker Van der Harst speelt in een ook een rol in mijn verhaal 'Een man van zijn woord' in de bundel Lovecraft in de polder (zie deze post). Het boek is nog altijd te bestellen!

zaterdag 5 juni 2021

Bouwoffers en bovennatuurlijk dierengedrag

Spinnen die 's ochtends, 's middags en 's avonds verschillend onheil aankondigen, zwarte en witte spookkatten, heksende buurvrouwen en opvallend rondhangende eksters, bouwoffers en adellijke honden die brood eten, een schip vol katten dat in één nacht naar Indie en terug voer... En waarom een varkensbotje in je broekband? Meegewerkt aan een podcast over mummiekat Gries in de Grote Kerk Veere: 

Gries de mummiekat - #2 Bouwoffers en bijgeloof

Het programma valt hier te beluisteren.

Gries de mummiekat | foto H.M.D. Dekker


Aflevering 2 gaat in op de rituelen en het bijgeloof rondom (huis)dieren in Nederland maar ook elders in Europa. De functie van katten is altijd al geweest om muizen en ander kwaad buiten de deur te houden en ze eindigden soms ook net als de 15de-eeuwse mummiekat Gries als bouwoffer. Ook ná hun negende leven waren zij vaak belast met het afweren van het kwaad. Katten en ook andere (huis)dieren komen in vele mythen, verhalen en overleveringen voor. Je hoort er alles over in deze podcast.

donderdag 3 juni 2021

NEELTJE JANS (en 110 andere plekken)

03-06-2021, NEELTJE JANS, na 13:00 uur. Drukke graaf- en bouwwerkzaamheden voorbij het westelijke hoofd van de grote 'baai' met hangcultuur ten westen van het Topshuis. Herrie van een torenhoge windmolen. Het bezoekerscentrum in het Topshuis is nog dicht. Corona. Het Parelpad (1,5 kilometer) is afgesloten in verband met mysterieuze werkzaamheden. Een fietsende Duitse clan rijdt verkeerd en keert luidruchtig weerom. Oma met knotje, kleinzonen, meisjes met dijen die het fietsen makkelijk tot Mannheim volhouden. Bij het loket van het terras van Proef Zeeland staat een geduldig maar volhardend rijtje dorstige mensen. De harige bastaardsatijnrupsen vormen nog steeds een gevaar, blijkt uit het oude vertrouwde waarschuwingsbord bij het Topshuis. Jeuk, huiduitslag, irritatie aan ogen en luchtwegen. Het is warm.

foto JJB Kuipers


Lees meer over Neeltje Jans, Proef Zeeland en 110 andere plekken in Zeeland in:

111 plekken in Zeeland die je gezien moet hebben




woensdag 26 mei 2021

Ontdekking van de jeugd in Zeeland (2)

 Bill Haley vanuit de mist


Kijk hier voor 'Ontdekking van de jeugd in Zeeland (1)'

De ‘losmaking’ van de Nederlandse en Zeeuwse jeugd uit de benauwende cocons van traditie en conventie was overigens al in de eerste decennia van de twintigste eeuw begonnen, met name door de opkomst van de nieuwe zuil van het socialisme en de introductie van bioscoop en radio. Zeeland, een gewest zonder grootstedelijke kwaliteiten en over het algemeen prat gaand op zijn reputatie van gezagsgetrouwheid en traditionalisme, kwam in 1954 zelfs onverhoeds in de voorhoede van de telecommunicatie terecht. Dit jaar viel namelijk het besluit dat er naast de bestaande televisiezender in Lopik nog vier TV-zenders in ons land moesten komen: in Roermond, Markelo, Appelscha-Smilde – én in Goes. Hierdoor werd eindelijk de ontvangst van TV-uitzendingen in heel Nederland mogelijk. Drie jaar later was de Goese zender klaar. Hij werd in gebruik genomen op 10 december 1957.


(Dit is een fragment uit: Brommers, gitaren en spandoeken, 2005)

‘In 1957 hadden we televisie in ons gezin,’ zegt Tom Rentmeester (1947) uit Ovezande. ‘In 1958 op een mistige avond kunnen we zelfs een Duitse zender ontvangen, plotseling staat hij daar: Bill Haley And His Comets in een sportzaal op het podium van een boksring met een echte haan op de touwen… sensationeel! Het beeld was slecht, het geluid was slecht, maar we hadden hem in levende lijve zien swingen op de buis.’


Nieuwe TV-zenders, 1954
De ‘debiliserende’ en smaakverdovende werking die aan het fenomeen televisie al vrij snel na zijn inburgering werd toegeschreven, was zeker niet van toepassing op de beginjaren, ondanks het gebrekkige en veelal knullige aanbod. TV was aanvankelijk werkelijk een nieuw venster op de wereld. Het was vooral de (zwartwit)televisie die korte metten maakte met regentenmentaliteit en provincialisme, schreef A.J. van der Staay in 1966. 

‘Al klinkt in interviews de eerbied voor de gezagsdrager en in het niet-aansnijden van bepaalde onderwerpen iets ervan na, toch blijft het een feit dat de traditionele afstand tussen binnenskamers en erbuiten, tussen kiezers en gekozenen, tussen elite en bevolking, hoofdstad en provincie, tot huiskamerproporties is teruggebracht.’ Alle waterscheidingen vielen weg door de TV, aldus Van der Staay; er voltrokken zich complete revoluties in de gedachtengangen, ‘onderwerpen die enkele jaren terug volstrekt taboe waren, van ontzuiling tot homoseksualiteit, komen genadeloos van de beeldbuis.’


Een jaar na deze opmerkingen spatte de geruchtmakende uitzending van VPRO’s Hoepla! de huiskamers in, waarin Phil Bloom even een krant liet zakken (nota bene het protestants-christelijke dagblad Trouw) en zich naakt aan het volk vertoonde. Ze werd de meest besproken bloterik in de geschiedenis van de Nederlandse media. 

Ook in Zeeuwse huiskamers werd terdege kennisgenomen van Blooms tot de verbeelding sprekende gestalte. Het landelijke tumult leidde tot de annulering van een volgende uitzending met de Zeeuwse psychedelische groep Dragonfly.

Naar de film!


In de brave jaren vijftig was een dergelijke speelse provocatie natuurlijk nog ondenkbaar, zeker in Zeeland. De eerste reacties van overheidswege op tekenen van jeugdige opstandigheid en ‘ontworteling’, zoals op het vernielde Schouwen van na de Ramp, waren, naast adviezen tot verbetering van huisvesting en professionalisering van het jeugdwerk, oproepen tot herstel van het ouderlijk gezag en het gezin. Een beproefd maar gedateerd recept, dat zijn uitwerking steeds frequenter leek te missen. 

Want van een leien dakje ging het ook na deze mooie adviezen niet bepaald, zeker niet op Schouwen-Duiveland. Was in januari 1954 een grotere aandacht van de sociaal-maatschappelijke instellingen voor het hoognodige jeugdwerk aangekondigd, in juni berichtte de Provinciale Zeeuwse Courant dat de ontworteling van de jeugd op Schouwen-Duiveland als gevolg van de Ramp ‘zeer urgent’ geworden was. Oorzaak: de jeugd had geen zier te doen. ‘De rijpere jeugd verveelt zich,’ zei de krant, ‘en beschikt over teveel geld, hetgeen de baldadigheid onrustbarend doet toenemen.’ In de onderhandelingen over een te stichten jeugdcentrum onder toeziend oog van de Stichting Nieuw Schouwen-Duiveland zat niettemin geen enkel schot, hoewel het Rampenfonds hiervoor in principe 100.000 gulden beschikbaar had gesteld. 

Kijk hier voor 'Ontdekking van de jeugd in Zeeland (1)'


- wordt vervolgd -

Bron: Jan J.B. Kuipers, m.m.v. Henk Feij en Peter Urbanus, Brommers, gitaren en spandoeken. Vijftig jaar jong in Zeeland (Zaltbommel: Uitgeverij Aprilis, 2005), hoofdstuk 'De ontdekking van de jeugd in Zeeland' (Jan J.B. Kuipers)


***


CD VOL ‘LEEDVERMAAK’ KAREL & DE BOSWACHTERS:

Het is overal even erg


zondag 18 april 2021

‘Mysterieus Middelburg’ stopt ermee

Na vijf seizoenen stopt schrijver en ex-stadsdichter Jan J.B. Kuipers met zijn stadswandeling Mysterieus Middelburg. Kuipers: ‘Vijf jaar vind ik genoeg voor zo’n project. Ik twijfelde nog, maar de steeds maar verlengde coronamaatregelen gaven de doorslag. Je moet met kleinere groepen dan normaal wandelen. Bovendien was er de avondklok en het gedoe rondom de 1,5 meter. Het is mooi geweest.’



Mysterieus Middelburg was een tocht langs ‘Griezel & Groteske, Sagen & Schavotten, Horror & Historie’. De route voerde door het noordelijk en westelijk deel van de Middelburgse binnenstad langs pestlijders en gehangenen, een wonderhostie, geesten en moordenaars en de Middelburgse toegang tot de onderwereld. 

De stokoude geschiedenis werd afgewisseld met pijnlijk recente verhalen, zoals het beruchte hoofd in het bushokje (1990).

(foto H.M.D. Dekker)


donderdag 8 april 2021

Ontdekking van de jeugd in Zeeland (1)

Je kon het niet langer negeren, in het jaar 1955: de jeugd was anders geworden, mondiger en rijper dan vroeger. Dat een onbeduidende countryzanger, Bill Haley, in dat jaar met het lawaaiige en in een vreeswekkend tempo gespeelde nummer Rock around the clock een eerste plaats in de hitlijsten in de Verenigde Staten behaalde, dáárvan nam men in Zeeland geen notitie. Hier worstelde men met de nasleep van de Februariramp van 1953, met de wederopbouw, het Delta- en het Drie-Eilandenplan, en met de grootschalige reconstructie van Schouwen-Duiveland.


(Dit is een fragment uit: Brommers, gitaren en spandoeken,2005)


Zeeland stond aan de vooravond van grote veranderingen, en dat alles had een even grote uitwerking op de Zeeuwse jeugd. ‘De jongeren reageren anders dan wij ouderen,’ stelde de Goese predikant H.M. Strating vast in een vraaggesprek met de Provinciale Zeeuwse Courant van 3 augustus 1954. Strating was voorzitter van de Hervormde Jeugdraad. ‘Daaraan merk je dat er ook in de Zeeuwse jeugd iets van dat moderne levensgevoel is gevaren, iets dat misschien wijst in de richting van het existentialisme. Doch ik betwijfel of het een stap achteruit is.’ En, na enige aarzeling: ‘Nee, onze jeugd is eerlijker in menig opzicht dan de oudere generatie.’

De wereld was kleiner geworden, meende Strating. En de jeugd van 1954 was wereldwijzer dan de kinderen van vroeger. ‘Wij hebben nog met een kristalontvangertje zitten peuteren,’ herinnerde de predikant zich, ‘en keken onze ogen uit naar een auto. Maar nu herkent een peuter van vijf jaar al van ver een automerk…’

De welwillende zielenherder sloeg met zijn uitlatingen de spijker op de kop. De wereld was dankzij de radio en alle andere ontwikkelingen op het gebied van telecommunicatie en vervoermiddelen inderdaad een stuk kleiner geworden: absolute voorwaarde voor het ontstaan van een uiteindelijk mondiale popcultuur waarin trends razendsnel gecommuniceerd en overgenomen konden worden. 

De kennismaking met Duitse bezetters en deels van overzee afkomstige bevrijders, de evacuaties ten gevolge van de Walcherse inundaties in 1944 en de Ramp van 1953 hadden bovendien het vertrouwde wereldbeeld flink door elkaar geschud, de horizonten verruimd en verwisseld. Communicatie betekent altijd ook vervreemding: de vertrouwde zuilen, waarin Nederland generaties lang verdeeld was geweest brokkelden af, de snelle naoorlogse stijging van het welvaartspeil (in 1954 werden loonstijgingen van tien procent genoteerd) maakte ruimere consumptie mogelijk om een eigen identiteit te kunnen ontwikkelen én tonen.

De jongere was in het midden van de jaren vijftig kandidaat-volwassene áf. Niet langer was de adolescent een volwassene in de dop, iemand die snel een beroep moest leren en geruisloos bij de juiste levensovertuiging en kerk diende te worden ingedeeld. Hij of zij maakte vanaf nu deel uit van een categorie op zich. ‘Jong zijn’ was een doel geworden. Plotseling was iedereen zich sterk bewust van de kloof tussen de generaties. Die was er altijd al geweest, maar leek nu dieper en breder dan ooit.

De jeugd was ontdekt.

- wordt vervolgd -

Bron: Jan J.B. Kuipers, m.m.v. Henk Feij en Peter Urbanus, Brommers, gitaren en spandoeken. Vijftig jaar jong in Zeeland (Zaltbommel: Uitgeverij Aprilis, 2005), hoofdstuk 'De ontdekking van de jeugd in Zeeland' (Jan J.B. Kuipers)

maandag 22 maart 2021

‘Een gematerialiseerde vorm van muziek’

CULTUURGESCHIEDENIS EN NATUURLIJKE HISTORIE VAN DE TRAAN


Tranen vloeiden sinds de dageraad van het menszijn. De oudste geschreven bron waarin van huilen wordt gewaagd, dateert echter ‘pas’ uit de veertiende eeuw voor Christus. Het zijn de Ras-Sjamra-teksten uit Noord-Syrië: een collectie kleitabletten uit de stad Ugarit. De tabletten bevatten een verhaal over de dood van de god Baäl. Zijn zuster Anath weende hevig bij het vernemen van zijn dood, en ‘dronk tranen als wijn’. Die eerste vermelding behelst al een belangrijke paradox van het huilen waarmee Tom Lutz zich in Een geschiedenis van de traan uitgebreid bezighoudt, namelijk het verwarrende genot dat expressie van je verdriet kan teweegbrengen.


Bron: Jan J.B. Kuipers, “Een gematerialiseerde vorm van muziek”; 
Tom Lutz: Een geschiedenis van de traan. Leesidee 7(2001)5, 396-397.


Zeeën van tranen zijn sinds de Oudheid vergoten, en meren van inkt hebben de meest uiteenlopende auteurs sindsdien aan de geheimzinnige achtergronden en kwaliteiten van het wenen gewijd. Socrates wist het al: droefheid was een pijn van de ziel zelf, maar ook vol intens genot. Verdriet brengt tranen voort, maar de bevrijdende actie van het huilen veroorzaakt vreugde, zelfs wellust. Dat laatste besef bracht in het West-Europa van de latere achttiende eeuw een ware tranencultuur op gang, met Goethe’s romanpersonage Werther als grootste huilebalk. De verheven vreugde die men destijds ervoer bij het menigvuldig plengen van tranen wekte ruim een eeuw later aanzienlijk plattere vrolijkheid op.

Die meer prozaïsche kijk ging aan het eind van de negentiende eeuw gepaard met belangstelling voor de biologische, fysiologische en psychologische voorwaarden van het huilen. Deze benaderingen kwamen vooral uit de hoek van de jonge wetenschap van de psychologie, en met name van een nog jongere loot van die stam, de psychofysiologie. Zo kwam men tot de ontdekking dat er niet één, maar verschillende soorten tranen zijn, van verschillende samenstelling. De Californische onderzoeker Robert Brunish stelde in 1957 bijvoorbeeld vast dat ‘emotietranen’ een hoger eiwitgehalte hebben dan ‘irritatietranen’ (veroorzaakt door de wind bijvoorbeeld) en dat de eiwitverhoudingen zelf in de verschillende soorten tranen óók weer verschillend waren. 

Alle wijsgerige bespiegelingen en klinische onderzoekingen ten spijt, lijkt de traan anno 2001 nog even geheimzinnig en multi-interpretabel als altijd. De menselijke uniciteit van het op emotionele aandoening gestoelde huilen lijkt wel vastgesteld, maar de fysiologische functie van de excretie van traanvocht is nog allerminst eenduidig bepaald.

Tom Lutz, verbonden aan de universiteit van Iowa, heeft niettemin de taak op zich genomen een zo breed mogelijke historie van de traan te schrijven - inclusief de geschiedenis van het psychofysiologisch onderzoek naar het huilen, een inmiddels al even onoverzichtelijk terrein als de ‘algemene’ geschiedenis en culturele antropologie van de traan. 

Het enorme onderwerp is door de auteur eerder typologisch dan chronologisch aangepakt. Na een inleiding die kriskras door de geschiedenis, de verschillende contexten en interpretaties van het huilen voert, worden achtereenvolgende hoofdstukken gewijd aan auteurs en tradities betreffende het huilen, de lichamelijke aspecten ervan, de psychologie van het huilen, het verschillende huilen van mannen en vrouwen, zuigelingen en kinderen, door antropologen bestudeerde ‘treurculturen’, diverse functies van het huilen (wraakzucht en escapisme bijvoorbeeld) en de rol van tranen in (populaire) fictie.

Wat in al deze deelbenaderingen opvalt en ietwat stoort, is de ‘kralenketting’-aanpak van de auteur. Steeds springt hij van de ene periode over naar de andere, van literaire auteur naar B-film, van klassieke mythologie naar moderne antropologie. Vruchtbaar als deze benadering kan zijn voor het herkennen van algemene karakteristieken en dwarsverbanden, wekt zij ook irritatie doordat een duidelijke afbakening van het behandelde (deel)terrein ontbreekt, en hoofdlijnen van het betoog vaak ver te zoeken zijn.

Een eigen, ‘waardenscheppende’ visie van Lutz komt in Een geschiedenis van de traan ook niet naar voren. Zelfs de conclusie, met de fraaie titel ‘Het stelpen der tranen’, biedt behalve het in kort bestek herhalen van eerder uitgewerkte thema’s wéér nieuwe feitjes en auteurs die zich ooit het hoofd braken over de traan. Wel wordt de neiging van Lutz duidelijk om tranen (en emoties) te beschouwen als cultureel bepaald. Sterk geritualiseerde rouwgebruiken en uiteenlopende sociale situaties waarin bij verschillende culturen het huilen als gewenst of totaal ongepast wordt beschouwd, brengen hem tot die visie. ‘Emoties worden aangeleerd in de interactie met anderen,’ aldus Tom Lutz. ‘Dat veronderstelde Charles Darwin al in de jaren zestig van de negentiende eeuw, toen hij schreef dat de bewoners van de Sandwich-eilanden de gewoonte hadden aangenomen om te huilen van vreugde.’

De sociale aspecten van huilgedrag zijn evident. Iedereen kan tijdens begrafenissen waarnemen hoe de ene huiler de andere aansteekt. Emoties beschouwen als een soort illustratie van sociale functies en de cultuur waarin men verkeert, is echter een drastisch reductionisme dat men buiten de kringen van sociaal-wetenschappers niet tegenkomt. Dit heeft misschien ook te maken met het feit dat werkelijk begrip van de emotie meer is dan verstandelijk kennen, omdat begrip en kennis hier niet kunnen losstaan van de ervaring zelf. 

Beschrijvingen van het fenomeen van de traan die de grootste indruk maken komen dan ook niet van vakspecialisten, maar van auteurs uit de letterkundige en cultuurfilosofische hoek. E.M. Cioran bijvoorbeeld, die óók weer terugkomt op het genotsaspect van het huilen. Tranen schenken ‘zalige vergetelheid’ stelt hij, omdat het ‘extatisch vuur’ dat door het huilen wordt veroorzaakt elke vorm van intellectuele activiteit vernietigt. In navolging van Nietzsche beweert Cioran: ‘Tranen zijn een gematerialiseerde vorm van muziek’.

Prachtig geformuleerd. Maar toch haalt de lezer na alle meningen en beschouwingswijzen in Lutz’ caleidoscoop van de traan opgelucht adem bij de simpele vaststelling van een moderne onderzoeker dat er maar één soort emotietranen is, namelijk tranen van verdriet. Zelfs vreugdetranen behoren tot die categorie, omdat ze gewekt worden door de herinnering aan verleden leed, of de angst voor de pijn die onvermijdelijk op de vreugde moet volgen. Ook dit is natuurlijk weer een interpretatie, maar één die het dichtst bij het ‘gezond verstand’ staat en daarom direct aanspreekt.

Een in de loop van de tijd ook veelbesproken aspect is dat van de traan als wapen, als middel van overreding of zelfs van emotionele terreur. Een Chinese legende brengt de wrekende macht van tranen ondubbelzinnig naar voren. Bij het bouwen van de Grote Muur kwamen talloze geronselde arbeiders om het leven. Een jonge vrouw kwam haar man opzoeken, die als dwangarbeider was gestorven en begraven onder de muur. Toen ze dat nieuws hoorde barstte ze uit in tranen, huilde dagenlang aan één stuk. Veel arbeiders werden aangestoken en huilden mee. Zo ontstond een gigantische tranenvloed, die meer dan driehonderd kilometer van de muur wegspoelde.

Ook dit lezen we in Een geschiedenis van de traan. Het boek biedt een uitgestrekt, ietwat rommelig magazijn van citaten, schrijvers, onderzoeksmethoden en benaderingen. De lezer verdwaalt er makkelijk in. Maar de rijke inhoud kan met behulp van een uitgebreid register op eigen kompas worden benaderd. En dat stelt de lezer in staat tot nieuwe, authentieke bespiegelingen. De auteur moedigt deze ook aan. ‘Wie zal de geschiedenis van de traan schrijven?’ vraagt hij aan het eind van zijn boek met Roland Barthes. ‘Die schrijven wij allemaal samen.’


Tom Lutz, Een geschiedenis van de traan (Amsterdam 2001); vert. van The natural and cultural history of tears.





vrijdag 19 maart 2021

Wat was toch die Vrije Enclave Breezand?

Breezand was een - volgens sommigen - fictieve miniatuurstaat, gelegen ter hoogte van de bestaande buurtschap Breezand bij Vrouwenpolder (Zeeland). Het landje werd vooral bekend door de Breezandsche Courant, een satirisch-surreële internetcourant, die tussen 2002 en 2012 op verschillende websites was te raadplegen.



De Vrije Enclave Breezand kende een bijna voortdurende oorlogstoestand met de omringende gemeente Veere. In en om de enclave speelden zich als in een vervormde spiegel gebeurtenissen af, die aansloten bij actuele gebeurtenissen op het wereldtoneel. Zo deed de vondst van de gevluchte dictator Sam Azijn op de bodem van een regenput sterk denken aan de arrestatie van de voortvluchtige Iraakse leider Saddam Hoessein (2003). En de Breezandse kotter, het enige marineschip van de Enclave, voer uit naar Scandinavië om restitutiegelden te eisen voor de Vikinginvallen van een millennium tevoren. Inwoners van Breezand konden vakantiereizen boeken naar de vijandige buitenwereld bij Breezand Reizen. Deze organisatie exploiteerde een luchtballon, waarmee gevlogen werd boven politiek zeer onrustige gebieden in Afrika en elders.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.


Contactpersonen


Als contactpersonen met de buitenwereld traden de gebroeders Gert P. en Jan J.B. Kuipers op. Volgens sommigen waren zij ook de bedenkers van de Breezandsche Courant, en was Gert Kuipers de figuur achter de diverse websites die de Courant gebruikte. Gert Kuipers verklaarde in een interview in de Provinciale Zeeuwse Courant (15 juni 2002) echter dat zijn broer en hij de echte redacteur Abel de Ruyter in Antwerpen hadden ontmoet, waarna zij hem terugbrachten naar Breezand en het wederzijds contact werd voortgezet.

Religieuze strijd



De Vrije Enclave Breezand beleed een eigen godsdienst. Men aanbad er de Grote Spruit, wiens leringen waren opgetekend in het raadselachtige Groene Boekje. Van de inhoud van dit geschrift is nooit iets concreets onthuld.

Gaandeweg ontstond een schisma tussen de rekkelijke spruitologen onder leiding van Heer Ome Gert, de Breezandse wetenschapper die onder meer de Exploderende Fietstas uitvond, en de fundamentalistische ‘spruitologische spruitisten’ onder leiding van Heer Broer Jan. 
Terwijl in Breezand de macht werd gegrepen door de Militaire Raad, trok Heer Broer Jan zich met zijn volgelingen terug op Breezandsche Plaat, een grote zandplaat vóór de Breezandse kust, en zette daar het Tehuis voor Gevluchte Dictators op. Heer Ome Gert nam intussen in Breezand de leiding op zich van de Breezandsche Academie van Wetenschappen.

Krant van afvalligen


Ook de Breezandsche Courant kreeg te lijden van afsplitsingen, zoals de Vrije Breezandsche Stemmen. Deze krant werd gerund door afvallige spruitologen en politieke bannelingen, die zich in het vijandige stadje Veere hadden gevestigd.

Nieuwe medewerkers


In de loop der jaren traden andere medewerkers van de Breezandsche Courant aan, zoals journalist Bruno Hochzeit (die buiten Breezand ook publiceerde onder het pseudoniem Theo Raats) en lifestyle coach Steil. Hochzeit gooide verse olie op het vuur van de Breezandse verhoudingen: zo werd hij op zeker moment preventief gegijzeld – aldus leerling-verslaggever Arnold Schwarzkopf – in verband met ‘relevante problematiek ten aanzien van het groeiproces van de Breezandsche Courant’.

Tekst gaat verder onder de afbeelding.


Nadagen

In mei 2012 vond een ‘synode’ plaats in Galerie Hannelore aan de Hendrikstraat in Vlissingen, waar onder meer het concept van de ‘Breezandsche Berg’ werd gepresenteerd, die ook het halve eiland Walcheren zou bedekken. Het jaar daarop vertoonde de Zeeuwse zender CTV een videoreeks Breezandsche Berichten, geregisseerd door Gert Kuipers, waaraan ook Jan Kuipers en Theo Raats hun medewerking verleenden. Nadien dook de vrije enclave nog herhaaldelijk op in de geschriften van Jan Kuipers.


En weer bleef Eekhoornstaartstad ongezien

Met ‘De man die Eekhoornstaartstad nooit zag’ keert Jan Kuipers in zijn fantastiek terug naar de pop-SF en de sfeer van zijn vrolijke maar g...