In ‘Onsterfelijk op schaal’ (Hollands maandblad 1995-4) schreef ik over de miniatuur en het
‘literaire droste-effect’, onder meer naar aanleiding van Mishima’s roman Het Gouden Paviljoen (1956). Het
hoofdpersonage, de stotterende brandstichter Mizogushi, ziet een miniatuur van
de beroemde Zentempel Het Gouden Paviljoen in Kyoto, die hem onmiddellijk en
veel sterker dan het origineel aantrekt en fascineert.
Bron: Jan J.B. Kuipers, 'De erfenis van Droste.'
In: id., De juiste verkeerde verbanden (4). Ballustrada 21(2007)1/2, 41-44.
‘Het in het grote Gouden
Paviljoen neergezette, precies nagemaakte kleine Gouden Paviljoen deed mij,
zoals bij een kleiner heelal dat in een groter besloten is, denken aan een eindeloos
voort te zetten reeks van gelijkvormige beelden. Voor het eerst kon ik dromen.
Van een volmaakt Gouden Paviljoen, maar veel en veel kleiner dan dit model; van
een oneindig veel groter Gouden Paviljoen dan het werkelijke, zó groot, dat het
bijna de hele wereld leek te omvatten.’
Juni 2006 trof ik ditzelfde effect aan
in Manuel van Loggems aardige roman Mozes
in Egypte (1960). Mozes is gevlucht uit Egypte wegens de moord op een
slavenopzichter bij de Hebreeërs, en leeft nu als herder bij een verwante stam.
Hij ‘wacht’ nog op zijn bestemming als redder van de Joden en zit op een avond
aan een kleine plas, ergens bij een bron in de woestijn. Op het oppervlak van
de plas ziet hij zijn gezicht weerspiegeld: ‘De ziel van de werkelijkheid dreef
op de plas.’ Mozes buigt zich voorover en verbaast zich over deze weergave,
‘een soort diefstal van zijn wezen, zonder dat hij er armer van werd’. Hij ziet
ook heel duidelijk ‘zijn pupillen en hierin weer zichzelf met de zekerheid, dat
dit kleinere beeld dezelfde pupillen bezat met een nog kleiner beeld, weer met
ogen die met zichzelf gevuld waren, steeds kleiner, tot de grenzen der
oneindigheid’. Het is één van de sensaties, waarvan uiteraard de brandende
braambos de belangrijkste is, die Mozes van zijn bestemming overtuigen en
vervullen.
'Drosteïsering'
Twee
romans met een religieus thema, tweemaal de rol van de oneindige herhaling, de
voortzetting op andere, onbereikbare schaal. De ‘kracht van de reductie,’
meende ik in ’95, ‘heeft de neiging groter te worden naarmate de miniatuur kleiner
wordt, tot de grens van de zichtbaarheid is bereikt. Het punt omega van die
dubbele, paradoxale verwijdering doet microkosmos en macrokosmos in elkaar
opgaan, maar drijft ze tegelijkertijd voorgoed uit elkaar.’
(tekst vervolgt onder afbeelding)
 |
| Vignet van de rubriek 'De juiste verkeerde verbanden' in Ballustrada. |
Een
belangrijk bestanddeel van de mythologische kracht van de ‘drosteïsering’ van
de waarneembare werkelijkheid is kennelijk het evident illusoire karakter daarvan.
We zien dat we doorgaan tot in alle eeuwigheid, dat we de oneindigheid
overwinnen en bezitten door onze voortgezette of voortgeplante aanwezigheid tot
in regionen die we niet meer vanuit het ‘moederlichaam’ kunnen peilen – en
hierdoor weten we tegelijkertijd dat we bij ons eigenlijke ‘zelf’ zijn
achtergebleven, dat de bevrijding en de overwinning van de beperking van ruimte
en tijd een feit is waar je niets aan
hebt.
De ouden hadden dit al volledig door. Godsdiensthistoricus W.B.
Kristensen: ‘Het beeld is de geestverschijning van het origineel, een
geestelijk wezen, dat niet in onze wereld thuishoort. Hij die zijn eigen
beeltenis in de spiegel aanschouwt, ziet zichzelf als een geest, los van de
lichamelijke gebondenheid, dus als een gestorvene. Zo hebben de verschillende
volken over de gehele wereld het opgevat; dat verklaart de wijd verspreide
angst voor een spiegelbeeld: dat betekent of brengt de dood.’
Schipbreukelingen
van onze eigen Verenigde Oostindische Compagnie – vermoedelijk de eerste
westerse kolonisten van Australië - hebben aan den lijve ondervonden wat het is
om een verwrongen spiegelbeeld te zijn: veilig aan wal gekrabbeld aan de
westkust van dit onbekende continent werden ze door de Aboriginals als geesten
van onlangs gestorvenen beschouwd en aan de verkommering overgelaten of zelfs
‘opnieuw’ gedood. De ‘tweede dood’: de definitieve.
Boerenbedrog
Het universele bodembesef waaruit de mythe – het Verhaal - zich, als uit
het moeras, aan zijn eigen haar omhoog trekt is het begrip dat alles één is, dat
de wand tussen ik en niet-ik een spiegel is, boerenbedrog. Maar het is nu
eenmaal het enige bedrog dat we hebben, en waaraan we de kostbare schijn van
onze aanwezigheid en identiteit te danken hebben. We moeten blijven liegen en vooral
blijven zeggen dat we liegen: de
leugen met open vizier.