Tekst vervolgt onder de afbeelding.
| Veerhaven Tiengemeten (foto H.M.D. Dekker). |
Korter geleden, op 2 juli 2026, publiceerde ik een artikel op Wynia’s week over Mijn gedroomde Nederland, een uitgave over het werk van Jan Voerman, illustrator van de befaamde Verkadealbums. Belangrijk thema was de waarde van nostalgie.
Als oorzaken van de radicale verandering van het landschappelijke beeld in Nederland zag ik "de toename van de bebouwde omgeving, industrialisatie, nieuwe infrastructuur, grootschalige herverkaveling. En ook ‘natuurherstel’, dat we niet moeten verwarren met landschapsbehoud. De Zeeuws-Vlaamse Hedwigepolder werd bijvoorbeeld ‘ontpolderd’ als gevolg van een internationaal politiek schimmenspel. En Natuurmonumenten transformeerde het Zuid-Hollandse eilandje Tiengemeten vanaf 2005 grotendeels tot‘zoetwatergetijdenatuur’. Vaarwel, bakens van poldernostalgie."
Nostalgie, goed, je kón er dood aan gaan,dachten we vroeger. Maar nee, "het nut van nostalgie is haar karakter van milde, bewuste waan die je in stelling kunt brengen tegen de waan van de dag".
Succesvol verknoeid
Het slot van dit verhaal: "Als het welige weiland, waar koeien graasden in zalige onwetendheid van hun methaanuitstoot, is volgeplempt met zwarte spiegels van zonnepanelen; als het laatste stukje uitzicht vanaf de snelweg is versperd door de zoveelste rij distributiedozen en toonzalen; als de vertrouwde contouren van het historische stadsaanzicht zijn geblokkeerd door hoogbouw; als het panorama van Marsmans ‘oneindig laagland’ succesvol is verknoeid door de nieuwste generatie hoogspanningsmasten en windmolens – steek dan Voermans boek in de lucht. ‘Gelukkig hebben we de plaatjes nog!’"
50 jaar na de Ramp
In 2002 schreven Cees Maas en ik het geschenkboekje bij de Week van het Zeeuwse Boek, getiteld Echo’s van het water. Vijftig jaar Februariramp 1953.
Eén van de hoofdstukjes die ik bijdroeg gaat over Tiengemeten. Hier is het.
Tiengemeten, dat geven ze terug
Vanaf de brug over het Haringvliet zie je een enorm, zwartgrijs wolkenpak boven het eiland Tiengemeten hangen. Een grauwe zak die node geleegd moet worden.
We arriveren in Nieuwendijk bij Zuid-Beijerland (Hoeksche Waard). Aan de overkant, bij het Tiengemetenhaventje van Tiengemeten, lijken de hurkende daken van de verlaten boerderijen op een vroegmiddeleeuwse nederzetting.
Alles is groengrijs of grijsgroen: de dijk, het oeverland, de daken.
Niet het water. Dat is loodgrijs.
Het klotsen van dat loodkleurige water komt regelrecht uit een streekroman van Arie van der Lugt of J.W. Ooms.
Een werknemer van Natuurmonumenten maakt de modderbanden van zijn tractortje schoon. Hij rijdt heen en weer, heen en weer door een grote plas. Volop de tijd neemt hij ervoor.
Hij knipoogt eens naar ons.
Een half uur geleden kwam hij met de boot van Tiengemeten; nu rijdt hij diezelfde schuit weer op. In de kar achter zijn tractor zien we een paar onduidelijke palen liggen, en een enorme houten hamer om ze ergens in het eiland te slaan.
De ‘Sint-Antonius’ (1964) brengt hem en ons over het Hitsertsche of Vuile Gat in een minuut of vijf naar Tiengemeten.
Tiengemeten is sinds 1997 eigendom van Natuurmonumenten. In 1688 was het eiland tien gemeten groot. Dat is ongeveer vijf hectare. Pas tussen 1750 en 1860 is het ingepolderd voor de landbouw. Het groeide uit tot de huidige oppervlakte van zo’n 1050 hectare. Tijdens de Ramp is het eiland helemaal overspoeld. Door meer dan twintig dijkgaten spoelde het zoute zeewater in en uit; opzichter D. Ardon en zijn broer verdronken.
Maar nu staat het graan op barsten, hier midden op Tiengemeten. Er hoort een beukende, Van Goghiaanse zon boven te staan.
Maar het regent.
In een schuilhut aan de zuidoostzijde van het eiland stinkt het naar pis. Aan een haak in het plafond hangt een strop. Voor de laatste boer? Op het informatiebord bij het haventje staat immers dat pas écht met de natuurontwikkeling kan worden begonnen als alle boeren weg zijn.
Maar er is er nog één. Eén laatste boer van Tiengemeten; dat weten we van een televisiedocumentaire, niet lang geleden uitgezonden. Hij krijgt maar geen passend ‘ruilbedrijf’ aan de overkant aangeboden, die laatste boer van Tiengemeten.
Hij had maar weer zaaizaad ingekocht, zei hij tegen het televisievolk. Dat al z’n collega’s waren uitgekocht en vertrokken vond-ie wel jammer. Je was hier immers gewend om elkaar te helpen. Nu stond je er alleen voor.
Zó moet het ongeveer worden, het nieuwe Tiengemeten van Natuurmonumenten. Net als hier op de Blanke Slikken, driehonderd hectare natuurgebied aan de zuidkant van het eiland: eens een landje waar de rietcultuur werd bedreven, nu het domein van padden, naaktslakken en kikkers. Van wilgenroosje, gulden roede, braam en brandnetel.
Die bramen smaken al goed, trouwens. Elk moment verwachten we een natuurambtenaar op te zien duiken, hoofdschuddend en met z’n opschrijfboekje paraat.
‘Hoeveel bramen heeft u illegaal geplukt? En van welke struik precies?’
Aan een hoge populier in het mooiste populierenlaantje van Nederland, dat lijnrecht naar de horizon trekt, is een bord gespijkerd.
‘Geen toekomst zonder boeren’ staat erop. De bijbehorende foto toont twee meisjes in overall of tuinbroek: één blondje en één van niet te duiden, allochtone herkomst.
De toekomst denkt niet erg aan de boeren, en zeker niet aan die van Tiengemeten; maar het PR-bureau van de boeren denkt verdomd hard aan de toekomst.
Een man van een jaar of vijftig, met natgeregend haar en een shagje in zijn mond, sjokt verderop door de populierenlaan. Hij blijft staan. Met een kleine digitale camera maakt hij een foto van een eenzame klaproos aan de andere kant van de sloot, in de marge van het graan.
De bloem heeft ongeveer dezelfde kleur als zijn dunne jack.
Of hij weet dat Tiengemeten bij de Ramp helemaal volliep, als een teil goor afwaswater.
Nee, dat heeft-ie nooit geweten.
‘Wat maakt het uit. Ze geven het nou toch weer terug. Allemaal kostelijke landbouwgrond naar de filistijnen,’ zegt hij. ‘Ik begrijp daar niks van. Iets mooiers dan dit is er toch niet.’
‘Maar,’ zo werpen we tegen, ‘ze bekijken toch welke bestaande laantjes en dijken in het nieuwe landschap passen en gehandhaafd kunnen blijven?’
‘Ze gaan de dijken weer doorsteken,’ zegt de man met een trek van vastberaden afkeuring.
Nou ja, denken wij, dat is een beetje waar. Op één plek verlagen ze in elk geval de ringdijk en ze graven ook een stel kreken uit.
De zee wordt binnengenood.
We kijken nog maar eens uit over Tiengemeten.
Miezerende regen – maar in de verte toont de hemel een veeg blauw –, graan en graan en verderop een uienveld. Een kaarsrechte B-weg, wat daakjes in de verte. En natuurlijk de hoge populieren.
50 jaar na de Ramp
In 2002 schreven Cees Maas en ik het geschenkboekje bij de Week van het Zeeuwse Boek, getiteld Echo’s van het water. Vijftig jaar Februariramp 1953.
Eén van de hoofdstukjes die ik bijdroeg gaat over Tiengemeten. Hier is het.
Tiengemeten, dat geven ze terug
Vanaf de brug over het Haringvliet zie je een enorm, zwartgrijs wolkenpak boven het eiland Tiengemeten hangen. Een grauwe zak die node geleegd moet worden.
We arriveren in Nieuwendijk bij Zuid-Beijerland (Hoeksche Waard). Aan de overkant, bij het Tiengemetenhaventje van Tiengemeten, lijken de hurkende daken van de verlaten boerderijen op een vroegmiddeleeuwse nederzetting.
Alles is groengrijs of grijsgroen: de dijk, het oeverland, de daken.
Niet het water. Dat is loodgrijs.
Het klotsen van dat loodkleurige water komt regelrecht uit een streekroman van Arie van der Lugt of J.W. Ooms.
Een werknemer van Natuurmonumenten maakt de modderbanden van zijn tractortje schoon. Hij rijdt heen en weer, heen en weer door een grote plas. Volop de tijd neemt hij ervoor.
Hij knipoogt eens naar ons.
Een half uur geleden kwam hij met de boot van Tiengemeten; nu rijdt hij diezelfde schuit weer op. In de kar achter zijn tractor zien we een paar onduidelijke palen liggen, en een enorme houten hamer om ze ergens in het eiland te slaan.
De ‘Sint-Antonius’ (1964) brengt hem en ons over het Hitsertsche of Vuile Gat in een minuut of vijf naar Tiengemeten.
Tiengemeten is sinds 1997 eigendom van Natuurmonumenten. In 1688 was het eiland tien gemeten groot. Dat is ongeveer vijf hectare. Pas tussen 1750 en 1860 is het ingepolderd voor de landbouw. Het groeide uit tot de huidige oppervlakte van zo’n 1050 hectare. Tijdens de Ramp is het eiland helemaal overspoeld. Door meer dan twintig dijkgaten spoelde het zoute zeewater in en uit; opzichter D. Ardon en zijn broer verdronken.
Maar nu staat het graan op barsten, hier midden op Tiengemeten. Er hoort een beukende, Van Goghiaanse zon boven te staan.
Maar het regent.
In een schuilhut aan de zuidoostzijde van het eiland stinkt het naar pis. Aan een haak in het plafond hangt een strop. Voor de laatste boer? Op het informatiebord bij het haventje staat immers dat pas écht met de natuurontwikkeling kan worden begonnen als alle boeren weg zijn.
Maar er is er nog één. Eén laatste boer van Tiengemeten; dat weten we van een televisiedocumentaire, niet lang geleden uitgezonden. Hij krijgt maar geen passend ‘ruilbedrijf’ aan de overkant aangeboden, die laatste boer van Tiengemeten.
Hij had maar weer zaaizaad ingekocht, zei hij tegen het televisievolk. Dat al z’n collega’s waren uitgekocht en vertrokken vond-ie wel jammer. Je was hier immers gewend om elkaar te helpen. Nu stond je er alleen voor.
Zó moet het ongeveer worden, het nieuwe Tiengemeten van Natuurmonumenten. Net als hier op de Blanke Slikken, driehonderd hectare natuurgebied aan de zuidkant van het eiland: eens een landje waar de rietcultuur werd bedreven, nu het domein van padden, naaktslakken en kikkers. Van wilgenroosje, gulden roede, braam en brandnetel.
Die bramen smaken al goed, trouwens. Elk moment verwachten we een natuurambtenaar op te zien duiken, hoofdschuddend en met z’n opschrijfboekje paraat.
‘Hoeveel bramen heeft u illegaal geplukt? En van welke struik precies?’
Aan een hoge populier in het mooiste populierenlaantje van Nederland, dat lijnrecht naar de horizon trekt, is een bord gespijkerd.
‘Geen toekomst zonder boeren’ staat erop. De bijbehorende foto toont twee meisjes in overall of tuinbroek: één blondje en één van niet te duiden, allochtone herkomst.
De toekomst denkt niet erg aan de boeren, en zeker niet aan die van Tiengemeten; maar het PR-bureau van de boeren denkt verdomd hard aan de toekomst.
Een man van een jaar of vijftig, met natgeregend haar en een shagje in zijn mond, sjokt verderop door de populierenlaan. Hij blijft staan. Met een kleine digitale camera maakt hij een foto van een eenzame klaproos aan de andere kant van de sloot, in de marge van het graan.
De bloem heeft ongeveer dezelfde kleur als zijn dunne jack.
Of hij weet dat Tiengemeten bij de Ramp helemaal volliep, als een teil goor afwaswater.
Nee, dat heeft-ie nooit geweten.
‘Wat maakt het uit. Ze geven het nou toch weer terug. Allemaal kostelijke landbouwgrond naar de filistijnen,’ zegt hij. ‘Ik begrijp daar niks van. Iets mooiers dan dit is er toch niet.’
‘Maar,’ zo werpen we tegen, ‘ze bekijken toch welke bestaande laantjes en dijken in het nieuwe landschap passen en gehandhaafd kunnen blijven?’
‘Ze gaan de dijken weer doorsteken,’ zegt de man met een trek van vastberaden afkeuring.
Nou ja, denken wij, dat is een beetje waar. Op één plek verlagen ze in elk geval de ringdijk en ze graven ook een stel kreken uit.
De zee wordt binnengenood.
We kijken nog maar eens uit over Tiengemeten.
Miezerende regen – maar in de verte toont de hemel een veeg blauw –, graan en graan en verderop een uienveld. Een kaarsrechte B-weg, wat daakjes in de verte. En natuurlijk de hoge populieren.
Dit ten dode opgeschreven, agrarische Tiengemeten lijkt op pakweg Zeeuws-Vlaanderen of Tholen anno 1960. Het is een prentbriefkaart van je eigen herinnering.
We vragen naar de precieze reden van ‘s mans aanwezigheid.
De roker verklaart zich tot dagjesmens; hij is een natuurliefhebber, maar géén milieufanaat. Daar hecht hij aan, om dat te zeggen.
‘Weet u wat het hier zo mooi maakt?’ zegt hij. ‘Er is hier niks. Geen lawaai, geen kermisgedoe, geen massa’s toeristen. Niks.’
Nee, niks. En niks herinnert nog aan de Ramp. Dat komt omdat de Ramp hier niet meer tot het verleden behoort, maar geprojecteerd is naar de toekomst.
Vijftig jaar na dato wordt het offer onder nauwlettend toezicht herhaald.
Want Tiengemeten, dat geven ze terug aan het water.
Einde van het hoofdstukje.
Kleumende dichters
In 2003 reden we tijdens de Gedichtendag in januari met een Poëziebus, volgeladen met een peloton dichters van binnen en van buiten de provincie, door Zeeland ‘om de poëzie direct naar de mensen te brengen’. We staken nog over met de oude PSD-veerboot. Koud was het! Sneeuw dwarrelde en op de meeste stops waren er meer dichters dan publiek.
Het was een geweldige dag.
Tekst vervolgt onder de afbeelding.
| Dichterskaravaan in Vlissingen (foto G.P. Kuipers). |
Eén van mijn gedichten voor deze dag was Tiengemeten 1953-2003:
Hier is niks en nooit geweest
nu ook de laatste boer bezweek
aan herleving van natuur
die eerst nog uitgetekend moet.
Want Gods geest is het niet
die over deze wateren zweeft,
ze eens schudde in een streek-
roman en zekere Februarivloed.
Het zijn minieme plaatsbekleders hier,
niet eens van faustiaanse origine;
maar het banaalste domineesgebroed,
uit de stokoude born again machine.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten